Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: De organisatie van een vakoverstijgend literatuurproject (Lily Coenen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

konden de vreemdelingen waarmee men kennis had gemaakt bij de andere vakken, teruggevonden, naast elkaar gezet en met elkaar vergeleken worden.

In dit verband wil ik graag iets zeggen over het verzamelen van materiaal. Ik heb er al eerder op gewezen dat dit een grote tijdsinvestering van de docenten vraagt. Je moet heel veel zoeken, lezen en bekijken, en uiteindelijk is maar een deel bruikbaar. Een troost is dat een dergelijk project zeker niet eenmalig hoeft te zijn. Het kan in achtereenvolgende jaren voor hetzelfde leerjaar gebruikt worden, met eventuele aanpassingen als men onderweg beter materiaal heeft gevonden. En het kan ook worden aangepast voor andere doelgroepen. Nog een droombeeld van mij is een uitwisseling van projecten tussen scholen die op deze manier aan de gang gaan. Maar goed, de eerste keer blijft het een enorme klus.

Ook bij materiaalkeuze spelen een aantal criteria een rol. Ik noem ze: a. het (afgebakende) thema, b. de doelstellingen, c. de moeilijkheidsgraad en de beschikbaarheid van vertalingen, 'd. de omvang, e. de variatie.

Over het eerste punt hoeft niet veel gezegd te worden; het spreekt vanzelf dat het thema bepaalt waar het materiaal over moet gaan. Wel is het zo dat er ook hier een wisselwerking is. Als materiaal over een bepaald aspect onvindbaar is, of als men juist zeer geschikt materiaal over een niet inbegrepen aspect tegenkomt, kan er heel goed nog aan de uiteindelijke afbakening geschoven worden. Ook de relatie met de doelstellingen is vanzelfsprekend en wederzijds. Wanneer men als doelstelling formuleert dat de leerling zowel inzicht moet krijgen in de visie van de autochtoon op de allochtoon als omgekeerd, moet het materiaal dat ook mogelijk maken. Andersom kan het heel goed zijn dat de onvindbaarheid van materiaal er toe dwingt een doelstelling te reduceren of te schrappen.

De moeilijkheidsgraad spreekt ook vanzelf, die zal overeen moeten stemmen met wat de doelgroep aankan. De beschikbaarheid van vertalingen heeft een meervoudige functie. Een punt dat in verband met de pakketverschillen altijd aan de orde komt, is de toegankelijkheid van de projectlessen en het materiaal voor leerlingen die een bepaald vak niet volgen. Hoewel het zeker niet overal en altijd haalbaar is, kan overwogen worden om alle projectlessen expliciet open te stellen voor belangstellenden: leerlingen, collega-docenten, eventueel ouders. Vooral in het Volwassenenonderwijs, met meer speling in de roosters, is deze overweging de moeite waard. Het betekent in elk geval dat het materiaal dan ook toegankelijk moet zijn voor mensen die een bepaalde taal niet of nauwelijks beheersen. Dan wordt het criterium van de beschikbaarheid van vertalingen vanzelf belangrijk. Een volgende reden waarom vertalingen een belangrijke rol kunnen spelen, is de mogelijkheid van zogenaamde combinatielessen, een vorm die in Leiden is toegepast. Het is goed denkbaar dat binnen een project twee vakken veel meer op één lijn zitten dan de andere vakken. Zo had men in het Leidse project teksten van de Russische schrijfster Nina Berberova die in het Frans geschreven heeft over haar ballingschap in Parijs. In dit geval is door de docenten Frans en Russisch samen les gegeven aan zowel de leerlingen Frans als de leerlingen Russisch. De docente Russisch behandelde de historische achtergrond van de ballingen na de Russische revolutie en de schrijfster Berberova; de docente Frans ging meer op de gekozen tekst in en op de specifiek Franse omstandigheden in Parijs. Dergelijke mini-verbanden binnen het grote verband doen zich

78