Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: De organisatie van een vakoverstijgend literatuurproject (Lily Coenen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

vaak vanzelf voor en moeten zeker benut worden. Maar in het Leidse voorbeeld was een Nederlandse vertaling van de gekozen tekst voor de leerlingen Russisch die weinig Frans kenden, heel plezierig geweest. Verder kunnen vertalingen belangrijk zijn als men al het projectmateriaal wil opnemen in een project-syllabus, zodat de leerlingen kunnen lezen wat in de vakken die zij niet volgen, aan de orde is geweest.

De omvang van het materiaal, criterium 4, is sterk gerelateerd aan de duur van het project. Het gaat hier zowel om de lengte van teksten, films, enzovoort, als om de hoeveelheid. Eén van de fouten die we in de praktijk meerdere malen gemaakt hebben, is dat we de leerlingen per vak met veel te veel materiaal hebben overspoeld. Geen wonder, want we hebben ons maandenlang suf gezocht. Ook hadden we soms een flinke tekst waarvan maar een klein stukje echt relevant was. Dat is niet goed, en leerlingen hebben ons daarop in de evaluatieformulieren herhaaldelijk gewezen.

Ik kan in dit verbaqnd twee suggesties doen voor het gebruiken van meer materiaal buiten het project zelf. Ten eerste een koppeling met de leeslijst. Leerlingen mogen dan op hun leeslijst één of twee titels zetten van volledige werken waarvan zij binnen het project fragmenten hebben gelezen. (Mogelijk een mooie stimulans om bepaalde boeken te gaan lezen). Ten tweede kan men in een follow-up, later in het schooljaar, bij een taalvaardigheidsles, heel goed een tekst of liedje of videofragment over het projectthema gebruiken voor een spreek- of schrijfvaardigheidsoefening.

Het laatste criterium voor de materiaalkeuze is variatie. Natuurlijk altijd belangrijk, maar nog belangrijker wanneer het thema gedurende een bepaalde periode bij verschillende vakken hetzelfde is. Het gaat dan om variatie in de aard van het materiaal (audio, video, leesstof); variatie in genre (ook: wel en niet literatuur) en variatie in invalshoek of behandelde aspecten van het thema (dit laatste natuurlijk in samenhang met de doelstellingen). Vooral bij dit laatste punt, de variatie, is uitwisseling van informatie en samenwerking tussen de betrokken docenten van groot belang. In Heerhugowaard hebben we in de docentenkamer een 'materiaalplank' voor het project gecreëerd. Daar kon iedereen een kopie of een korte beschrijving van geschikt geacht materiaal op leggen, dat door anderen op vrije momenten kon worden bekeken. Men kon elkaar zo ook op materiaal wijzen waarop men toevallig was gestuit en op ideeën over soorten materiaal die geschikt konden zijn.

Maar de belangrijkste bron van uitwisseling waren de aan elkaar gegeven deellessen tijdens de voorbereidingsbijeenkomsten, de teamteaching. Zelf vind ik dit het meest nuttige en geslaagde onderdeel van de voorbereiding van een dergelijk project, omdat het zo veel oplevert. Elke docent of sectie laat een representatief gedeelte zien van de projectlessen voor een bepaald vak. Men krijgt zelf door de respons van de collega's enig idee van de respons van de leerlingen. De collega's zien het materiaal naast elkaar en zien daardoor mogelijke samenhangen, of het gebrek daaraan, of hiaten in het materiaal. Men doet ideeën op door de werkvormen die anderen hanteren en wordt zich bewust van de noodzaak ook op dit punt te variëren. Kortom, men verplaatst zich in de manier waarop leerlingen het project zullen ondergaan.

Dan het punt van de doelstellingen, dat al tijdens de eerste werkbijeenkomst op de agenda moet staan, maar elke keer wel even ter sprake komt. Het is immers een uitstekend controle-instrument is om het project in het goede spoor te houden. De kans van versnippering is namelijk erg groot. Secties zijn in het algemeen niet gewend

79