Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: De organisatie van een vakoverstijgend literatuurproject (Lily Coenen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

aan deze vakinhoudelijke manier van samenwerking, en zelfs als men van de beste voornemens bezield is, is de kans nog groot dat men in de praktijk van de lessen ieder zijns weegs gaat. Dat is tenminste mijn ervaring.

Wanneer men besluit tot een vakoverstijgend literatuur-project met een inhoudelijk thema, dan komt onvermijdelijk bij de discussie over de doelstellingen het punt aan de orde van de specifiek literaire doelstellingen, zoals het onderscheiden van genres, het herkennen van structurele aspecten of historisch-biografische doelstellingen. Een lastig maar belangrijk punt, dat tot controversen kan leiden die een project een heel vroegtijdige dood kunnen laten sterven. Ik kan geen oplossing bieden, maar wel een paar kanttekeningen plaatsen. In beide door mij begeleide projecten waren er taaldocenten die geen genoegen namen met alleen, laten we zeggen, maatschappelijke doelstellingen. Voor hen maakten de projectlessen, ook al waren ze vaak anders van aard dan de gewone literatuurlessen, en ook al duurde het project niet zo lang, toch deel uit van het literatuurprogramma. Het probleem is dat een maatschappelijk of psychogisch thema al een veelheid van doelstellingen op die gebieden mogelijk maakt, terwijl er in een tijdsbestek van maximaal twee weken niet zoveel haalbaar is.

Een duidelijk voorbeeld deed zich in Heerhugowaard voor bij de sectie Nederlands. Men had daar dus, als afgesproken 'knooppunt' in het project, 21 zeer geslaagde gedichten gebundeld die de thema-aspecten bij elkaar brachten, maar wilde ook de diverse vormen van poëzie in de bundel aan de orde stellen, met de bijbehorende vormkenmerken. Een gevolg was dat beide aspecten, zowel de inhoud als de vorm, maar vooral het eerste, er doorgejaagd werden. Toch is een combinatie van meer maatschappelijke en specifiek literaire doelstellingen heel goed mogelijk, wanneer men z'n eisen maar niet te hoog stelt. Ten eerste zouden de verschillende talen moeten proberen om samen tot één specifiek literaire doelstelling voor de duur van het project te komen. De leerlingen krijgen dan tenminste bij meerdere vakken de kans om tot inzicht in datzelfde aspect te komen. Ten tweede zou men moeten proberen zo'n literaire doelstelling te kiezen, dat er een logisch verband is tussen de inhoud en de vorm. Bij ons 'vreemdelingenproject' bijvoorbeeld ligt het voor de hand, ook al door het variatie-criterium, dat allerlei verschillend materiaal wordt gebruikt, literaire teksten, kranteberichten, film, liedjes etc. Een passende doelstelling zou kunnen zijn: de leerling krijgt inzicht in de verschillende manieren waarop vorm wordt gegeven aan hetzelfde thema, en het effect dat die verschillen op hem persoonlijk hebben.

Het is belangrijk dat naast de overkoepelende projectdoelstelling(en) ook de doelstellingen per vak in een vroeg stadium op schrift worden geformuleerd. Men kan op die manier zien of de vakken inderdaad samen zo efficiënt mogelijk naar de projectdoelstellingen toewerken. Dit maakt het bovendien mogelijk de leerlingen op de hoogte te brengen. Het is van groot belang is dat ook zij doelstellingen leren kennen. Op die manier kunnen zij niet alleen zien wat men gezamenlijk probeert bereiken, maar ook dat er kennelijk samenhangen zijn die het mogelijk en zelfs efficiënt maken om samen aan een dergelijk thema te werken.

80