Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Reader Response Criticism in het literatuuronderwijs (Joop Dirksen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

tegenovergestelde zegt. In de gesprekken met docenten kwamen drie opmerkingen nogal eens naar voren: veel leerlingen hebben (in het begin) moeite met het formuleren van hun lees- en leerervaringen, hun gevoelens; de tijdsplanning was aan de krappe kant; de verschillende lesonderdelen moesten (te) snel worden afgerond; het tijdstip in het schooljaar waarop dit experiment werd uitgevoerd (september-oktober) was, in verband met het groepsvormingsproces niet zo gelukkig gekozen. Later in het schooljaar zou een en ander (nog) beter gegaan zijn, zo verwachtten enkele docenten.

2 De lespraktijk

Op het Eckartcollege werken we nu een jaar of acht met de ideeën van RRC. Het eerste uitgangspunt is Bleichiaans: eerst het enthousiasme en dan de kennis, of, nog forser geformuleerd: liever enthousiaste lezers met niet zoveel literaire kennis, dan leerlingen die 'alles' weten van Vondel, maar balen van lezen.

Een tweede uitgangspunt is: leerlingen zijn het eerst en voornamelijk geïnteresseerd in zichzelf: in hoeverre ben ik hetzelfde als, in hoeverre anders dan de anderen om mij heen; hoe functioneer ik in de groep waartoe ik behoor? Welnu, via literatuur, via praten over fictie kun je in feite elk onderwerp op een veilige manier aanpakken. Door hen te laten kijken naar hun reacties op verhalen krijgen ze zicht op, inzicht in die reacties: waarom zij zó reageren en anderen anders. Zo combineer je twee min of meer aangeboren interesses: interesse in jezelf en interesse in fictie (want in elke cultuur zijn mensen van jong tot oud geboeid door verhalen en verhaaltjes.) Die combinatie levert een bijna per definitie motiverende methode.

Onze doelstelling is dan ook in eerste instantie 'individuele ontplooiing': we willen leerlingen leren om met plezier, met een kritische instelling, met onderscheidend vermogen, te lezen. We willen ze leren hun smaak te ontwikkelen, te herkennen waar ze wel van houden en waar ze niet van houden. Daar maken ze een groei in door; ze blijven niet steken in het 'leesgebied' waar ze starten in hun beginsituatie. We proberen leerlingen zover te krijgen dat ze hun leeservaringen en leerervaringen kunnen verwoorden; in eerste instantie voor zichzelf, maar in tweede instantie dok, mondeling en schriftelijk, voor klasgenoten en docent. We zetten ze aan tot reflectie op hun eigen en andermans leeservaringen.

Onze werkwijze houdt in, dat we ervan uitgaan dat leerlingen al vanaf de brugklas zinnig kunnen praten en schrijven over wat ze van een verhaal of boek vinden. Elk jaar lezen leerlingen van klas een tot en met klas zes een aantal boeken. We vragen ze om leesverslagen, waarbij we benadrukken dat het niet gaat om het navertellen van de inhoud, maar om een persoonlijke reactie op die inhoud.

Je kunt je voorstellen dat de gemiddelde brugklasser bij de vraag wat hij of zij van een boek vindt, in eerste instantie niet veel verder komt dan eenwoordige omschrijvingen: leuk, stom, saai. Onze aanpak is erop gericht om leerlingen zover te krijgen dat ze dóórdenken: waarom vind ik dit saai; wat ontbreekt er dan? Of: wat had ik verwacht wat niet geboden is? Of: hoe had dit verhaal dan wél boeiend kunnen zijn, wat had er dan bijvoorbeeld moeten gebeuren? En als ze een boek mooi vinden: waar zit 'm dat nou in?; wat is de leukste, de opvallendste passage, welke figuur

84