Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Reader Response Criticism in het literatuuronderwijs (Joop Dirksen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

spreekt me aan? Dit zijn opdrachten die door brugklassers uitstekend uitgevoerd kunnen worden, en waarmee ze al heel snel het stadium van 'losse kreten' achter zich laten. Als je deze leesverslagen eens laat uitwisselen, stimuleert dat de duidelijkheid, de concreetheid. Waar nodig wordt om verduidelijking gevraagd (: je zegt nou wel dat dit het mooiste boek is wat je ooit gelezen hebt, maar ik kan uit je verslag nergens opmaken waarom dat zo is). Zo kan stapsgewijs al heel snel in de onderbouw de basis gelegd worden voor wat we in de bovenbouw veel uitvoeriger doen.

We hebben evaluatie-oefeningen ontwikkeld en associatie-oefeningen. Met die laatste wordt zichtbaar, voelbaar, dat iedereen in eerste instantie gevoelsmatig, vanuit zijn eigen achtergrond en referentiekader, reageert op wat hij aangeboden krijgt. Centraal staat steeds, vanaf de eerste tot en met de zesde klas, de creatie van de lezer, van de individuele leerling. De schrijver is bijzaak; die heeft het werk afgeleverd waarmee we het een en ander kunnen doen, maar over de auteur praten we niet meer. Ook niet zozeer over het boek, het gaat dus om het reageren op dat boek: waarom vindt de een het boek schitterend, en vindt de ander er niets aan? Waar zit 'm dat in? Kan de een aan de ander duidelijk maken waarom hij het schitterend vindt, en kan de ander aan de een duidelijk maken waarom hij met dat boek geen kant uit kan; dat is de centrale vraag.

We lezen veel klassikaal; iedereen schrijft na lezing van een klassikaal gelezen tekst zijn eigen leesverslag, waarin zijn verwachtingen, meningen, gevoelens, leerervaringen worden uitgewerkt; eventueel ook vormaspecten, structuur, stijl. Die leesverslagen zijn dan vervolgens het 'lesmateriaal'. De kwaliteit van de verwoording van de leeservaringen is heel belangrijk: concreetheid, compleetheid en duidelijkheid zijn criteria. De leraar kan bij dit soort lessen ook zelf een leesverslag schrijven, niet als 'het' verslag, want dan dood je elk initiatief van de kant van de leerlingen; het is gewoon een van de verslagen die gemaakt worden. Leerlingen kunnen dan ook eens zien wat hun leraar ervaart bij, vindt van dat verhaal. Daarmee verandert je positie in de klas; je bent niet meer de 'kennisaandrager', maar een van de lezers (natuurlijk wel met een voorsprong op een aantal terreinen).

De bedoeling is dat iedereen 'voor zijn lijst' leest waar hij plezier in heeft. Dat betekent dat veel van onze leerlingen van school gaan zonder dat ze een heleboel meesterwerken hebben verwerkt. We hopen dat ze als enthousiaste lezers van school gaan, dan komen ze die meesterwerken misschien ook nog wel tegen.

We proberen het juiste boek bij de juiste leerling te (helpen) vinden. We dragen een voorbeeldlijst aan, van zo'n negentig à honderd boeken die we in ieder geval voor leerlingen geschikt vinden. Als ze iets anders willen lezen, moeten ze dat van te voren even laten zien, zodat we waar nodig advies kunnen geven, bijvoorbeeld 'je mag het proberen, maar ik vind het vreselijk moeilijk, en ik denk dat je er ook moeite mee zult hebben', of kunnen 'ingrijpen' als we dat nodig vinden, bijvoorbeeld als leerlingen steeds maar weer met hetzelfde soort boek komen. We laten leerlingen aan boekpromotie doen, geven hen als opdracht: maak maar eens aan de klas duidelijk waarom jij vindt dat ze allemaal het boek moeten gaan lezen dat jij als het mooiste van jouw lijst hebt uitgekozen. We willen dus enthousiaste praatjes, reclameverhalen; natuurlijk mag de afloop niet besproken worden, want waarom zou je een boek gaan lezen als je al helemaal weet hoe het in elkaar zit?! De leesverslagen worden gebundeld en

85