Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Literatuurwetenschap, geschiedenis, historische letterkunde en het klaslokaal (E.K. Grootes)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Literatuurwetenschap, geschiedenis, historische letterkun-

de en het klaslokaal

E.K. Grootes

Hèt verleden bestaat niet. Iedere tijd construeert zijn eigen verleden, door het herordenen van reeds bekende gegevens, door het openen van nieuwe perspectieven, door het stellen van andere vragen dan de voorgangers. Ook bij een bewuste oriëntatie op de situatie in het verleden, een zich open stellen voor wat er uit het verleden tot ons komt, ontsnappen we niet aan onze eigen referentiekader. Wat we zien en wat we willen weten is onvermijdelijk gekleurd door de preoccupaties van onze eigen tijd. En dat is maar goed ook. Zonder die actuele betrokkenheid valt een belangrijke rechtvaardiging van het historisch onderzoek weg en wordt het verleden dood als een pier. De risico's ervan zijn evenzeer duidelijk: als we geen kritische afstand in acht nemen ten aanzien van onze vooroordelen, lijven we het verleden in, en vormen het om naar ons beeld. En in dat andere uiterste verliest de geschiedbeoefening net zo goed haar zin. Een poging tot volstrekte actualisering van een tekst uit het verleden, net doen alsof deze gisteren geschreven is, is naar mijn mening een zinledige onderneming. Lees dan liever een tekst die echt gisteren geschreven is. Veel spannender is het de confrontatie aan te gaan, onze vanzelfsprekendheden te laten botsen met die uit het verleden. Zie bijvoorbeeld de recente opvoering van Bredero's Moortje. De opvatting van het stuk als een 'black comedy' is per se onhistorisch, maar levert boeiend toneel op en zet aan het denken over de moraal toen en de moraal nu.

In het algemeen zijn in de loop van de laatste tientallen jaren de preoccupaties waarmee we het verleden benaderen duidelijk veranderd. De traditionele blik op de geschiedenis was elitair, masculien, primair politiek en europacentrisch. De doorbreking daarvan heeft geleid tot allerlei nieuw onderzoek. Ik wijs op de gegroeide aandacht voor populaire cultuur op het terrein van de religie, de kunst, de literatuur en de sociale verhoudingen. Ik wijs op de opbloei van de gender studies, op de golf van publikaties die uitgaan van een feministische invalshoek. De eenzijdige belangstelling voor de politieke geschiedenis, voor vorsten en veldheren, heeft zozeer plaats gemaakt voor onderzoek naar de mentaliteit van zeer uiteenlopende bevolkingsgroepen, dat er alweer een tegenbeweging ontstaat die terug wil naar het primaat van de politiek. De concentratie op Europa en op het typisch nationale tenslotte wordt allengs enigszins gecorrigeerd door een Aziatisch of Afrikaans perspectief te kiezen, iets wat ook aan de neerlandistiek niet voorbij is gegaan.

Over neerlandistiek gesproken, u moet langzamerhand de indruk hebben gekregen dat ik hier als historicus optreedt, en niet als neerlandicus. Het woord literatuur is nog maar eenmaal terloops gevallen. In mijn opvatting heb ik mij daarmee echter niet op een zijspoor begeven. Ik vertegenwoordig het standpunt dat de oudere letterkunde het meest tot haar recht komt bij een historische benadering, dat wil zeggen een benadering die de tekst bekijkt binnen zijn historische context en daarbij gebruik maakt van een ruim scala van historische gegevens. Dat is uiteraard niet het enig mogelijke standpunt, en vanuit de didactiek is het voor discussie vatbaar. Maar hier vervul ik de rol van pleiter voor een historische aanpak. Overigens schroom ik in mijn

94