Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Literatuurwetenschap, geschiedenis, historische letterkunde en het klaslokaal (E.K. Grootes)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

eigen onderwijs niet a-historische waardeoordelen over bijvoorbeeld 17de-eeuwse gedichten uit te spreken. Als docenten weet u ook hoe effectief persoonlijk enthousiasme in een leersituatie kan zijn. Maar ik wil teksten niet behandelen als dragers van eeuwige waarden of tijdloze schoonheid, zoals dat nog wel door - de overigens vaak ten onrechte verketterde - Knuvelder gebeurde. Een selectie van het te behandelen literaire materiaal op grond van overwegend esthetische criteria is sedertdien uit de mode geraakt. Er zijn nieuwe slagwoorden gekomen, waarvan de functie van literatuur het meest opgang heeft gemaakt. Het idee dat je literaire teksten kunt beschouwen als factoren in de bepaling van politieke standpunten, als pogingen om invloed uit te oefenen op het maatschappelijk leven, als bronnen voor nieuwe gedragsnormen, een idee dat zeer onderbelicht bleef in de traditionele literatuurgeschiedenissen, is inmiddels stevig gevestigd. Overigens kunnen we deze richting ook zien als een resultante van preoccupaties van onze eigen tijd. Als we teksten uit het verleden zo graag bekijken op hun functie in de historische context heeft dat mogelijk iets te maken met onze eigen onzekerheid over de manier waarop intellectuelen, schrijvers en media al of niet inwerken op opvattingen, normen en waarden in onze huidige maatschappij.

Er zijn trouwens ook tegengestelde tendensen in de huidige literatuurwetenschap. Denk aan aanhangers van de theorieën van Derrida, die poneren dat taal alleen maar naar zichzelf verwijst. Taaluitingen hebben in die opvatting hoe dan ook een 'figuurlijk' karakter, waarbij de betekenis nooit definitief vaststaat, maar afhangt van de eveneens relatieve betekenis van andere taalelementen. Daarmee wordt de relatie tussen taal en werkelijkheid ondergraven. Het zal duidelijk zijn dat de historische, op de functievraag gerichte benadering daarentegen niet zonder een vooronderstelde relatie tussen taal en werkelijkheid kan bestaan. Wat we in elk geval kunnen constateren dat deconstructivistische analyses, die van de ideeën van Derrida uitgaan, zich binnen de historische neerlandistiek vrijwel geen plaats hebben verworven. Een belangwekkende uitzondering is het artikel van Rob Wolfs over Sara Burgerhart in Spektator 1985-86. Wolfs kritiseert de vanzelfsprekendheid waarmee Buijnsters in zijn publikaties over Sara Burgerhart de historische aanpak hanteert en hij wijst op de eenzijdigheid ervan. Volgens hem gaat Buijnsters uit van een aantal impliciete aannames, die stuk voor stuk geproblematiseerd kunnen worden, zoals het idee dat de tekst een eenheid is, dat hij lineair verloopt, dat hij een kern en een te omschrijven boodschap heeft, dat hij een (psychische) werkelijkheid weergeeft en dat hij zich leent voor een definitieve totaal-interpretatie. Volgens Wolfs heeft Buijnsters te weinig oog voor de heterogeniteit van de roman en voor de consequenties van het talige karakter ervan. Iets als 'samenhang' is geen intrinsiek kenmerk van een tekst, maar iets wat de interpreet eraan oplegt aan de hand van zijn normen. Wolfs laat zien dat de eenheid van het boek verbroken wordt door het optreden van verschillende vertellers, door variatie in de verteltrant (naast brieven ook dagboekachtige passages en toneelmatige dialogen), door discontinuïteiten in de geschiedenis, door verzwegen voorgeschiedenissen en door een onduidelijk einde op een schijnbaar willekeurig moment. Hij stelt dat de interpretatie nooit rond kan komen, aangezien het principieel meerduidige van de taaluitingen leidt tot het voortdurend schuiven van de betekenissen. Dit ondergraaft ook het 'psychisch realisme': de karakters in een boek zijn geen realiteit, maar bestaan alleen in de talige interactie. Wolfs wijst ook op de dubbelzinnigheid van wat door de roman als 'waarheid' gepresenteerd wordt, wat de eigenheid van de personages uitmaakt, of waar bijvoorbeeld de schuld ligt van de bijna-verkrachting van

95