Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Literatuurwetenschap, geschiedenis, historische letterkunde en het klaslokaal (E.K. Grootes)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

auteur, of van de tijd waarin hij leeft, maar als actief daarin interfererend. Literatuur verliest daarmee iets van de vrijblijvendheid die overwegend praktisch ingestelde leerlingen niet erg aanspreekt. Een tweede punt is dat de opvatting van een tekst of zelfs een sleutelpassage daaruit als een microkosmos waarin een ruimere historische of cultuurhistorische thematiek is vervat, aansluit bij een beproefde lespraktijk, die van het thematische literatuuronderwijs. De bezwaren daartegen hoeven hier niet uiteengezet te worden. Ik zie zelf in elk geval niet veel in het naast elkaar plaatsen van tekstmateriaal uit verschillende tijden onder koptitels als 'liefde', 'natuur', of 'het kind'. De thema's zullen naar mijn idee een specifieke historische relevantie moeten hebben èn bij voorkeur moeten raken aan toenmalige èn hedendaagse discussies.

Het is een stuk gemakkelijker zo'n abstracte eis uit te spreken dan een daarbij aansluitende praktijk te ontwerpen. Ik denk daarbij aan de karakteristiek die Jaak de Mare in 1988 gaf van de huidige leerlingen:

gericht op het eigen ik en de onmiddellijke actualiteit, oppervlakkig, eigengereid, vooral vatbaar voor visuele indrukken, afwerend tegenover de traditionele hogere cultuur.

Op veel scholen is er bovendien een groeiende groep allochtonen voor wie Beatrijs of Geusenvesper wel erg ver van hun bed zijn. Misschien is dat een argument om niet te veel te steunen op de belevingswereld van de leerlingen, niet moeizaam te proberen de tekst naar ze toe te trekken, maar deze bewust te behandelen als 'vreemd', als uit een andere, historische wereld afkomstig. Voorwaarde voor een vruchtbare lespraktijk is dan wel dat je historische belangstelling weet te wekken. We weten dat die bij veel leerlingen niet vanzelf ontstaat. Dat betekent dat we toch zullen moeten starten bij een uitgangspunt dat ze wat te zeggen heeft. Historische belangstelling valt of staat immers met de vraag 'hoe is edit zo gekomen?' Dan moet je haast wel buiten de literatuur en met een inhoudelijke kwestie aanvangen. Vorm-ontwikkeling is leuk voor de vakman, maar ik zie weinig leerlingen warmlopen voor de ontwikkeling van het treurspel of de doorwerking van de petrarkistische metaforiek in de liefdeslyriek.

Ik geef een enkel voorbeeld, in het besef dat ik hier sta als een historicus van eetgewoonten die een gezelschap koks moet uitleggen hoe ze lekker moeten koken.

Waarom moorden katholieken en protestanten elkaar in Noord-Ierland uit en doen ze dat niet in Nederland?

Dat stuurt ons naar de Nederlandse (cultuur)geschiedenis van de 16de en 17de eeuw. Anna Bijns over Luther, anti-paapse geuzenliederen als extremen. Pleidooien voor tolerantie bij Coornhert (Weet of rust), P.C. Hooft en Vondel. Bij de laatste komen de handelsbelangen als factor naar voren (bijvoorbeeld Op Amstelredam uit 1631). Daartegenover Vondels intolerantie jegens Calvijn (Decretum Hoiribile). Leerlingen zouden het contrast kunnen ontdekken tussen Vondels beroep op de emoties (de stank van in de hel brandende baby's) en de redenerende aanpak in Revius' Verkiesinge.

Moet Nederland meer immigranten opnemen?

Lees Spaanschen Brabander vs. 1150 e.v. voor herkenning van stemmingmakerij tegen

97