12 Johan van lseghem
ik geregeld dat sommige leraren van de secundaire school in de praktijk weinig of geen voeling hebben met wat er aan inzichten op literair, taalkundig en didactisch vlak in de academische wereld leeft. Een aantal onder hen is daar zelfs vrij principieel, om niet te zeggen hardnekkig in, maar ze hebben ongelijk.
Anderzijds is Vlaanderen een land waar ook die leraar wellicht reden tot morren heeft. Velen verklaren aan het secundair onderwijs geregeld hun liefde of belangstelling, maar de onderwijsopleiding van de licentiaten zit door praktische en principiële problemen van allerlei aard structureel zo vast dat wie er zich dagelijks voor inzet, alleen maar met schroom in de ogen van zijn buitenlandse collega's durft kijken. Voor de opleiding en voor het ambt van de leraar, ook voor de concrete realiteit en voor het ritme van zijn dagelijkse klaspraktijk liggen er in Vlaanderen stapels verbale waardering op de speelplaatsen, maar als het op middelen aankomt zijn die er vaak niet. We zijn daarom bijzonder verheugd dat onze minister van onderwijs nog deze week het uitermate prangende probleem van de opleiding in een lezing heeft aangesneden, en dat hij verklaarde de intentie te hebben om daar op relatief korte tijd ingrijpend werk van te maken. Met vele collega's zien we vol belangstelling naar zijn voorstel uit.
We geloven immers niet in een situatie waarin lerarenopleiding en -nascholing telkens weer losgehakt, om niet te zeggen veroverd moeten worden op de uren of op de bestaffing van de basisopleiding. We delen ten tweede geenszins de mening dat wie lesgeeft in het secundair onderwijs, al die academische inzichten zonder meer kan missen, zoals we ook niet geloven in een goede academische opleiding als er geen concrete voeling bestaat met de kansen en de problemen van levende leerlingen in het secundair onderwijs, of als het lerarenambt als finaliteit van een universitaire opleiding slechts als een marginale interesse van zonderlingen wordt bestempeld.
De HSN-conferenties hebben altijd gemikt op de combinatie van onderwijsveld en beleid, van onderzoek en opleiders : omdat de leraar de academicus het zwijgen niet kan opleggen op grond van diens wetenschappelijke interesse en zijn oog voor het detail; en omdat de academicus ook niet het omgekeerde kan doen als de leraar zijdelingse invalswegen gaat zoeken wanneer hij worstelt met minder enthousiasme bij zijn leerlingen of met een niet automatisch geïnteresseerd publiek. Bovendien is er een belangrijke nevendoelstelling aan de conferenties verbonden : het aanwakkeren van de professionele cultuur onder leraren, waarbij bespreken, evalueren en uitwisselen van lessen en opvattingen onder vakgenoten een normale zaak kan worden. Op dat punt hebben we als leraren nog veel weg af te leggen.
Dat bij dit initiatief de opleidingsinstituten uit Noord en Zuid betrokken zijn, hogescholen en universiteiten, en dat leerplanontwikkelaars, begeleiders, professoren en leraren over diverse facetten van het vak met elkaar rond de tafel gaan zitten, is in dit perspectief een goede zaak. Ik hoop dat HSN-8 het zoveelste overtuigende bewijs kan leveren dat dergelijke ontmoetingen te boeiend zijn om de actuele gedachtenwisseling over opleiding, nascholing en onderwijs door de ene of door de andere instantie te laten monopoliseren. We kunnen ons in dat opzicht overigens afvragen of in de toekomst ook het moedertaalonderwijs van de basisschool geen ruimte binnen de conferentie moet krijgen.