taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Achtste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 8 | Achtste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1995)


Bijdrage: Pleidooi voor een Vlaamse Beroepsvereniging Leraren Nederlands (Mark van Bavel)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

Pleidooi voor een Vlaamse Beroepsvereniging   27

  1. De inhoud van het vak en de leerplannen. — Het gaat (althans in het Vrij Onderwijs) om graadleerplannen, die meer dan vroeger om overleg vragen met vakbroeders over de invulling van inhoud, werkvormen en evaluatie. Het zijn veeleisende leerplannen met drie componenten : taalbeschouwing, literatuur en vaardigheden. Vooral op de vaardigheden ligt een sterker accent dan voorheen.

Daar komt nog bij dat sommige collega's de zorg krijgen voor Nederlands aan migranten (NT2) en heel recent de talige ondersteuning bij de geïntegreerde proef (in kso, tso en bso).

  1. De werkvormen. — Het leerplan vraagt meer dan vroeger om interactief werken, procesbegeleiding en een andere evaluatie.

  2. De klasgrootte. — De verhoogde werkdruk is er tijdens de les, waar leraren Nederlands dikwijls te maken hebben met grote groepen. Nederlands hoort immers tot de basisvorming van alle studierichtingen en dus is het gemakkelijk en verleidelijk leerlingen' van verschillende studierichtingen samen te zetten. Sommige samenzettingen houden te weinig rekening met de verschillen in studierichting van de leerlingen. Dat bemoeilijkt het lesgeven.

  3. Voorbereiding en nawerk.(4) — Leraren Nederlands hebben veel lectuur door te nemen willen ze hun leerlingen b.v. tot lezen aanzetten; ze hebben ook veel correctiewerk. — Helaas gebeurt. dat werk te weinig in functie van het leren van leerlingen: de correctie beperkt zich vaak tot aanstippen van taalfouten. Er wordt weinig individuele feedback gegeven, o.m. ook over de aard en de structuur van het werk. De evaluatie is ook meer dan vroeger procesgericht, wat meer aandacht en tijd vraagt.

  4. De opleiding. — Veel leraren (sommigen niet eens zo oud) zeggen me dat ze voor de opdracht van vaardigheidsonderwijs, procesbegeleiding, het geven van feedback aan leerlingen, permanente evaluatie, vakgroepwerking... nauwelijks opgeleid zijn en het dus moeilijk hebben.

  5. De socio-culturele begeleiding van leerlingen.

Tegenover de geschetste rechtstreekse taakbelasting staat uiteraard ook veel arbeidsvreugde. Bovendien komen leraren Nederlands door de aard van het vak heel dicht bij hun leerlingen, wat de relatie met hen aangenamer maakt. Toch zijn er ook nog een drietal factoren die meer onrechtstreeks de werkdruk kunnen verhogen, of die in combinatie met het voorafgaande voor een verhoogde taakbelasting zorgen.

  1. Het aantal lesuren Nederlands is in de eenheidsstructuur aanzienlijk verminderd. Joris Gerits waarschuwde daartegen in 1987 in een artikel van Ons Erfdeel. Hij rekende toen al uit dat het in bepaalde gevallen gaat om een verlies van net niet één vierde van het totale pakket over de zes leerjaren. Hij spreekt in dat artikel over `stiefmoedertaalonderricht'.(5) Dat urenverlies kan b.v. tot gevolg hebben dat wie vroeger een voltijdse opdracht had met viermaal vijf lesuren, nu voor diezelfde opdracht van twintig uren vijfmaal vier lesuren moet geven.

  2. Het aantal opdrachten voor huiswerk is tegenover vroeger hetzelfde gebleven — soms zelfs lichtjes verhoogd. Bij een verminderd lesurenpakket is het aantal in verhouding dus toegenomen, terwijl het voor andere vakken in sommige gevallen zelfs gevoelig daalde (althans in vergelijking met de

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties