40 Geert Claeys
Waarom zou grammatica in de Nederlandse lessen daar niet voor gebruikt kunnen worden ? Is het omdat de leerlingen een Vlaams dialect spreken of een vorm van regionaal Vlaams dat spraakkunst niet kan bijdragen tot vlotter, ook mondeling taalgebruik ? Kan men het standaard-Nederlands in Vlaanderen niet als een soort van eerste vreemde taal zien, die ook aangeleerd en geoefend kan worden ? Een bepaald leerboek stelt dat de leerlingen 'al hun hele leven Nederlands spreken'. Dit is natuurlijk waar als men met Nederlands om het even welk dialect bedoelt. Maar is het niet zo dat standaard-Nederlands evenzeer van vele dialecten verschilt als standaard-Nederlands van standaard-Duits ? Voor bijna alle Vlamingen is Nederlands de eerste vreemde taal. Ze lijkt weliswaar op het eigen regionale taalgebruik, maar ze verschilt er in vele opzichten ook grondig van. De Vlaming ziet ze wel voortdurend om zich heen in min of meer Vlaamse vorm en hij hoort ze op dezelfde manier op radio en TV. De vergelijking met het Duits gaat dus niet helemaal op. Maar er zou gezocht moeten worden naar een methodiek die op efficiënte wijze de brug weet te slaan tussen regionaal Nederlands en standaard-Nederlands.
Nu wordt in de schoolboeken voor eerste en tweede graad grammatica aangeboden in een vorm die in het vreemde-talenonderwijs radicaal wordt verworpen. Zij wordt niet aangeboden in functionele context, maar in losse zinnen die een regel illustreren. Het doel is het kennen van allerlei spraakkunsttermen en het herkennen ervan in meestal losse zinnen.
Af en toe wordt in de grammatica-oefeningen aan de leerlingen ook gevraagd 'een zin te maken' met bijvoorbeeld een modaal hulpwerkwoord, of een zin te schrijven die in een bepaalde situatie gezegd zou moeten worden. Maar daar blijft het dan bij. De grammatica-aanpak zoals die nu in het vak Nederlands wordt gepleegd, is bovendien uiterst saai en werkt waarschijnlijk in hoge mate demotiverend.
1.5 Woordenschat
De vroegere woordenschatles wordt in het VVKSO-leerplan afgewezen omdat ze naar 'taalzuivering' ruikt, die maar weinig opleverde. In het leerplan van de tweede graad sluipt de term 'taalzuivering' toch binnen, maar er wordt op aangedrongen hierbij omzichtig te werk te gaan : men moet er voorzichtig mee zijn, niet bestraffend. De leerlingen moeten gevoelig gemaakt worden voor registerverschillen. Bij tijd en wijle kan er dan al eens gesystematiseerd worden of kan eens een les aan de verschillen tussen Algemeen Nederlands en daarvan afwijkend taalgebruik gewijd worden. Naar mijn gevoel zou heel wat tijd aan die verschillen moeten worden gewijd. Nu wordt het heil vooral verwacht van de taalbeschouwing : om tot een meer verfijnd taalgebruik te komen is het nuttig dat het normbesef bewust gemaakt wordt. Dus taalbeschouwing in dienst van verhoging van de taalvaardigheid. Taalbeschouwing kan gericht zijn op taalsystematiek, meer bepaald grammatica, lexicon en semantiek, taalgebruik en teksten. In het leerplan voor de tweede graad wordt o.m. nog gevraagd : standaardequivalenten voor courante afwijkende vormen (dialectismen, gallicismen enz.) en ver-