taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Achtste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 8 | Achtste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1995)


Bijdrage: Taalkundige bedenkingen bij recente ontwikkelingen in het leerplan Nederlands en het moedertaalonderwijs (William Van Belle)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

48   William Van Belle

Een mus of een merel heeft meer kenmerken van een vogel dan een kip, maar toch noemen we ze alle drie een vogel. Hetzelfde kan gezegd worden van grammaticale begrippen als onderwerp, lijdend voorwerp, hulpwerkwoord enzovoorts. Het plaatsonderwerp 'er' bijvoorbeeld heeft weinig kenmerken van het prototypische onderwerp, maar we noemen het toch een onderwerp. Werkwoorden als 'moeten, mogen en kunnen' hebben zowel kenmerken van een hulpwerkwoord als van een hoofdwerkwoord. Een dergelijke benadering heeft als voordeel dat ze meer inzicht verschaft en dat we geen uitzonderingen op uitzonderingen dienen te onderscheiden.

In de hedendaagse linguïstiek zijn nog veel andere ideeën voor taalbeschouwing aanwezig. Ik denk onder meer aan de iconiciteit in de woordvolgorde en de interculturele verschillen op het vlak van conversatieregels.

4 Systematiek

Ik heb al gezegd dat mijn kritische beschouwingen meer als vragen opgevat moeten worden. De reden is dat ze gebaseerd zijn op een indruk die ik heb opgedaan bij het lezen van de leerplannen en van het voorstel van de eindtermen. Ze betreffen twee punten, die overigens samenhangen : (1) de indruk dat wat weinig aandacht wordt besteed aan het systematisch aanleren van het regelsysteem van het Nederlands, dat men de leerlingen precies zo weinig mogelijk met regels en termen wil lastig vallen; (2) de indruk dat nogal sterk wordt gesteund op een beperkte opvatting van inductie als leermethode. Ik probeer die indrukken te verduidelijken.

In het leerplan van de derde graad worden (NVKSO 1992, blz. 21) een 80-tal mogelijke domeinen vermeld voor taalbeschouwing. De instructie zegt : "Als minimum geldt de behandeling van tenminste 10 domeinen, te kiezen uit tenminste 4 van de 7 rubrieken." Positief is hier de keuzevrijheid die de leraar heeft. Bij heel wat topics of domeinen vraag ik me echter af hoe die op een inzichtelijke manier uit te leggen zijn zonder heel wat andere tegelijkertijd te behandelen. Bijvoorbeeld :

  • denotatie en connotatie

  • homonymie, synonymie, hyponymie

  • gevoelswaarde

  • eufemismen en dysfemismen.

Een fragmentarische behandeling van taalverschijnselen houdt het gevaar in dat de leerling geen kennis of inzicht kan verwerven die hij met succes op andere gevallen kan toepassen.

Hetzelfde probleem heb ik met sommige eindtermen die voor de eerste graad zijn voorgesteld, zoals :

"De leerlingen kunnen:

12. de tekstsoorten onderscheiden, evenals de intentie van spreker en luisteraar.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties