taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Achtste conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 8 | Achtste conferentie Het Schoolvak Nederlands (1995)


Bijdrage: Taalkundige bedenkingen bij recente ontwikkelingen in het leerplan Nederlands en het moedertaalonderwijs (William Van Belle)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Recognized HTML document

Taalkundige bedenkingen bij het leerplan Nederlands en het moedertaalonderwijs   49

17. verbanden leggen tussen de sociaal-culturele en de intellectuele achtergrond van de spreker en de vorm en de inhoud van de boodschap.

13. het spreekproces analyseren."

Dergelijke vaardigheden veronderstellen, denk ik, een grote kennis van het taalsysteem. Als de analyses niet op een dergelijke kennis steunen, lopen ze het gevaar niet door de leerling reproduceerbaar te zijn.

Sommige van de vermelde domeinen in het leerplan van de derde graad lijken me zo essentieel dat ik me afvraag of een systematische behandeling ervan niet verplicht zou moeten zijn. Ik denk hier bijvoorbeeld aan het 'complexe onderschikkend verband'. Het lijkt me een taak van het secundair onderwijs om de leerlingen in de laatste jaren ook complex samengestelde zinnen te leren schrijven.

5 Inductie vs. abductie

In het leerplan van de derde graad lees ik het volgende : "Het is van belang om het onderscheid tussen domeinen, begrippen en termen goed in het oog te houden. Wie bijvoorbeeld bij de bespreking van schrijfprestaties ingaat op problemen in verband met alinea-opbouw of woordvolgorde, is bezig met het domein van de tekstopbouw of van de bijzondere syntactische structuren. Het ligt voor de hand dat men dergelijke domeinen in de loop van het eerste en tweede leerjaar van de derde graad frequent aandoet. Dat geldt voor veruit de meeste van de aangegeven domeinen. Daardoor ontstaan inductief en dus geleidelijk begrip- pen. Te gelegener tijd kunnen daar de nodige termen voor geïntroduceerd worden. Bij 'tekstopbouw' dienen zich dan termen aan als 'paragraaf, 'alinea', 'tussenkopje', 'witregel', 'insprong' enz. (...)" (NVKSO 1992, blz. 21)

Een dergelijke passage zie ik als een symptoom van de angst voor terminologie en systematische aanpak die ik op meer plaatsen in de leerplannen en de voorstellen van eindtermen meen te mogen bemerken. Ze lijkt me ook samen te hangen met een m.i. te beperkte visie, die inductie (in hoge mate) vereenzelvigt met het generaliseren op basis van een aantal gevallen. Men merkt bijv. op dat een aantal objecten (bijv. zwanen) een bepaald kenmerk (wit) hebben en men besluit dat alle leden van die klasse dat kenmerk bezitten (alle zwanen zijn wit). Of men infereert wat in de toekomst zal gebeuren op basis van vroegere ervaringen. (De zon is tot nu toe elke dag opgekomen. Daarom veronderstellen we dat ze dat in de toekomst ook zal doen.) Die definitie van inductie treffen we overigens ook aan in Van Dale12: "een wijze van redeneren waarbij men besluit van het bijzondere tot het algemene." De tegenpool van inductie, deductie, wordt omschreven als : "een redenering waarbij men uitgaande van het meer algemene tot het bijzondere besluit."

Die definitie van deductie is duidelijk te beperkend. Er zijn immers deducties die bestaan uit het afleiden van algemene uitspraken uit andere algemene uitspraken. (Geen Belg is Nederlander. Geen Nederlander is Belg.) In de algemene zin

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties