Repertorium taalvaardigheden moedertaal 89
tieve aspecten aan bod komen. Verder heb ik geprobeerd om de vaardigheden binnen elk niveau in stijgende orde van complexiteit aan te bieden. Om dat op een gefundeerde wijze te kunnen doen, ben ik gaan grasduinen in de bekende taxonomieën. Daaruit heb ik dan een soort taxonomie ad hoc gedestilleerd die als basis heeft gediend voor de indeling van mijn repertorium.
In de technische niveaus zijn die vaardigheden samengebracht die beschrijven wat het betekent te kunnen 'spreken, schrijven, luisteren en lezen'. Wel is het zo dat ik daarbij abstractie gemaakt heb van basisvaardigheden zoals het kunnen vasthouden van een pen en het kunnen vormen van letters, omdat ik aanneem dat die na de basisschool in elk geval verworven zijn.
Voor de toegepaste niveaus ben ik uitgegaan van de vraag wat de leerlingen met die technische vaardigheden moeten kunnen doen. En in de creatieve niveaus gaat de aandacht naar de vraag hoe de leerlingen met die vaardigheden kunnen omspringen. De klemtoon ligt hier dus vooral op het esthetische aspect.
Toch betekent dit niet dat er in elk niveau slechts één functie van taal belicht zou worden. Uiteraard komen zowel de conceptualiserende als de communicatieve, naast de expressieve en de esthetische functie van taal doorheen de drie niveaus aan bod, al ligt het zwaartepunt wat beide laatste functies betreft natuurlijk wel bij het creatieve niveau.
Zoals gezegd heb ik een poging ondernomen om de vaardigheden in stijgende orde van complexiteit te rangschikken. Toevallig is dat uiteraard niet. Sinds ik de modulaire onderwijsbenadering heb leren kennen, ben ik er immers meer dan ooit van overtuigd dat je een leerling maar goed vooruit kunt helpen als je precies zijn beginsituatie kent.
Daarom staan er bij bepaalde deelvaardigheden vaak aanduidingen die toelaten preciezer in te schatten hoe goed een leerling een bepaalde vaardigheid beheerst. Mogelijke criteria om het `performantieniveau' van de leerlingen af te lijnen zijn bijvoorbeeld de fysische of psychische afstand die moet worden overbrugd of zijn autonomie, d.w.z. de mate van zelfstandigheid waarmee een leerling een bepaalde vaardigheid kan uitvoeren.
Waarom die aandacht voor het precieze `performantieniveau' van de leerlingen ? Een van de hoofdredenen daarvoor is dat ik ervan uitga dat er een aantal sociale drempels bestaan waar zij niet overheen kunnen omdat zij niet over het juiste 'taalschoeisel' beschikken. En hoe kunnen we onze leerlingen weerbaarder maken als we niet weten waar we hun taal moeten 'verzolen' ?
Vandaar ook de grote aandacht in dit repertorium voor 'sociale vaardigheden'. Hoe kan je immers voor je rechten opkomen als je niet eens kunt formuleren waar het over gaat? Als je je frustratie niet kunt verwoorden, wat anders blijft je dan over dan het gebruik van geweld?
Taalbeheersing is m.a.w. onontbeerlijk voor 'sociaal leren'. Ook hier geldt immers dat kennis macht is en dat gebrek aan kennis dus leidt tot gebrek aan zelfvertrouwen. Nu is zelfvertrouwen volgens mij iets dat leerbaar is, maar daarvoor is wel succeservaring nodig. En dat is iets wat nogal wat leerlingen in de dagelijkse onderwijspraktijk te weinig te beurt valt.