taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Negende conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 9 | Negende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1996)


Bijdrage: Taakgericht werken met hogergeschoolde beginners: ideeën van een zoekende lesgeefster (Ann De Schryver)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Taakgericht werken met hogergeschoolde beginners: ideeën van een zoekende lesgeefster

  1. leerkracht legt de betekenis uit via het antwoord en bijvoorbeeld de woorden origine/nationaliteit;

  2. de studenten zeggen de vraag enkele keren na;

  3. de studenten lopen rond in de klas en stellen de vraag aan zoveel mogelijk medestudenten; ze noteren het antwoord. Deze opdracht moet met gebaren goed worden uitgelegd: doen alsof je een journalist bent en ga bij iemand, stel de vraag en doe alsof je het antwoord noteert. Om schrijfproblemen te vermijden, schrijft de leerkracht de namen van zoveel mogelijk landen van herkomst van de studenten of van de talen die zij spreken op bord terwijl zij werken en wijst erop telkens iemand met een probleem zit.

Klassikaal informatie geven over iemand anders

Nadat de studenten genoteerd hebben uit welk land hun medestudenten komen en welke talen ze spreken wordt er klassikaal gewerkt. De leerkracht vraagt: uit welk land komt X? Een andere student antwoordt. Dit wordt herhaald tot zowat alle studenten aan bod gekomen zijn.

De kennismakingsvraagjes vormen een voorbeeld van een taak, namelijk 'Leer elkaar kennen', waarbij er een informatiekloof moet gedicht worden die berust op gegevens die iedereen heeft, al spreekt hij/zij nog geen woord Nederlands. De mate waarin `Hoe heet je?' functioneel is, kan betwist worden (de studenten hebben hun naam immers op een groot blad op hun lessenaar staan, een onmisbaar werkinstrument voor mij in de fase 'instructies uitvoeren'). Ik heb gemerkt dat die vraag in de rondvraag-fase over het land van herkomst automatisch aan bod komt en men zou er dus mee kunnen wachten tot iemand er de nood aan voelt om het land bij de juiste persoon te kunnen noteren. Dit voorbeeld geeft goed aan hoe belangrijk het is geleidelijk met taken te gaan werken: men leert door de ervaring welke dingen vanuit een bepaalde opdracht vanzelf aan bod zullen komen en men hoeft dan niet vooraf dat éne zinnetje te gaan oefenen.

De klassikale fase waarbij de studenten over iemand anders de vraag 'Uit welk land...?' of 'Welke talen...?' beantwoorden, kan minder zinvol lijken, omdat de meesten deze informatie in de vorige fase immers verzameld hebben en er dus geen informatiekloof meer gedicht wordt. De taak is hier echter 'Vertel over iemand anders' en de taalelementen die daarbij nodig blijken, zijn de pronomina hij en zij en de toevoeging van de -t aan het werkwoord. Het toevoegen van de -t leg ik niet echt uit, ik laat het gewoon zelf een aantal keren

259

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties