taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Negende conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 9 | Negende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1996)


Bijdrage: Wat pleit er tegen argumentatieleer op school? (Antoine Braet)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het Schoolvak Nederlands

Belangrijk voor de rest van mijn betoog is verder nog dat uit ditzelfde behoeftenonderzoek (CVEN-rapport 1991:58) blijkt dat de tekorten bij de productieve vaardigheden schrijven en spreken `flink' wat groter gevonden worden dan bij de receptieve lezen en luisteren.

Een voorbehoud bij de uitkomsten van dit behoeftenonderzoek is wel op zijn plaats. Men kan natuurlijk opmerken dat deze uitkomsten niet zo veel zeggen, omdat daaruit slechts blijkt waar volgens de mening of schatting van de ondervraagden de tekorten liggen. Wat we zouden willen weten is waar in feite de grootste tekorten schuilen. Daar bestaan echter geen onderzoeksgegevens over. We beschikken slechts over de beperkte resultaten van het dissertatie-onderzoek van Oostdam (1991), waaruit inderdaad blijkt dat bovenbouwleerlingen althans op sommige punten tekortschieten bij' het uitvoeren van argumentatieve opdrachten. Laten we nu aannemen dat er een (weliswaar beperkt) aantal belangrijke argumentatieve taaltaken zijn waarbij bovenbouw-leerlingen onbevredigend presteren. De vraag is dan waaraan dit ligt en of kennis van argumentatieleer de prestaties zou kunnen verbeteren. Algemene uitspraken hierover lijken gevaarlijk. Per taak zouden wel eens grote verschillen kunnen bestaan.

Neem bij voorbeeld nummer 3 van de spreektaken, het argumentatieve gesprek met een onbekende. Ook al omdat dit overlapt met het populairste onderwerp onder bovenbouwleerlingen volgens het onderzoek van De Bree (1992), namelijk 'taal zodanig leren gebruiken dat je iemand in een discussie overtuigt', lijkt dit een interessante taak. Zonder onderzoeksgegevens durf ik wel te stellen dat veel taalgebruikers bij dit type taak niet slechts tekorten, maar erger, namelijk onmachtgevoelens ervaren. Waardoor nu falen veel mensen in dit soort situaties? Door gebrek aan kennis van het verschil tussen hoofd- en sub- en tussen meervoudige en nevenschikkende argumentatie? Zou dergelijke kennis ze kunnen helpen? Of valt er misschien meer te verwachten van een assertiviteitscursus?

Nu is dit een wat extreem geval, waarbij sociaal-psychologische factoren een veel grotere rol lijken te spelen dan gemiddeld, maar het illustreert wel dat niet te gemakkelijk mag worden aangenomen dat gebrekkige prestaties bij argumentatieve taken (helemaal) aan een onderontwikkelde argumentatieve competentie geweten moeten worden en met argumentatieleer weggenomen kunnen worden.

42

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties