taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Negende conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 9 | Negende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1996)


Bijdrage: Wat pleit er tegen argumentatieleer op school? (Antoine Braet)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het werkstuk werkt (in de tweede fase)

Belangrijker dan het onderscheid tussen argumentatietaken met en zonder sociaal-psychologische dimensie, lijkt echter het verschil tussen productieve en receptieve taken. Uit het behoeften-onderzoek voor de CVEN is gebleken dat er bij de productieve taken, dat wil zeggen bij schrijven en spreken, de grootste tekorten worden gemeld. Dat is daarom zo veelzeggend, omdat in het moedertaalonderwijs de sterke neiging bestaat veel meer aandacht te geven aan de receptieve taken, vooral aan leestaken zoals samenvatten. Kan de argumentatieleer bijdragen aan de zo wenselijke accentverschuiving van de receptieve naar de productieve taken? En kan het vervolgens die productieve taken beter leren uitvoeren?

Wat die gewenste accentverschuiving betreft, die zal door de introductie van argumentatieleer eerder geremd dan bevorderd worden. De in Nederland dominante argumentatieleren uit Amsterdam en Utrecht zijn namelijk erg op analyse en beoordeling van (vooral schriftelijke) argumentatie van anderen gericht en niet op het zelf bedenken en aanvoeren van (schriftelijke en mondelinge) argumentatie. De bovenbouwleerlingen die volgens het onderzoek van De Bree zo graag zouden leren anderen in een discussie te overtuigen, vinden in de werken van Van Eemeren c.s. en Schellens en Van den Hoven maar weinig steun. Ze vinden daar wel aanwijzingen hoe ze kritisch op de argumentatie van de anderen kunnen reageren, maar hoe ze zelf moeten beginnen wordt overgeslagen.

Maar ook aan het nut van de benaderingen die wel aandacht schenken aan het bedenken en aanvoeren van argumenten, de retorica en de debatleer, kan men twijfelen. Juist als vertegenwoordiger van deze benaderingen (Leeman en Braet 1987 en Braet en Berkenbosch 1989) ken ik maar al te goed de bezwaren die er in de loop der eeuwen tegen aangevoerd zijn. In de achttiende en negentiende eeuw heeft dit er bij veel retorici zelfs toe geleid om de zogenaamde topiek, of leer van het vinden van argumenten, maar uit de retorica te verwijderen. Kort gezegd kwam hun bezwaar er op neer dat ze deze leer overbodig vonden: een goede kennis van het onderwerp maakt zoeksystemen om argumenten te vinden overbodig. Met een voorbeeld: een advocaat die zich goed heeft geïnformeerd over de omstandigheden van de zaak en daardoor weet dat zijn cliënt op het tijdstip van het misdrijf elders was, heeft geen lijst met standaardargumenten nodig om op het alibi-argument te komen.

43

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties