taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Negende conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 9 | Negende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1996)


Bijdrage: Eerste opvang anderstalige nieuwkomers (Hilde Broekaert & Goedele Duran)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het Schoolvak Nederlands

kring gaan zitten met het oog op het creëren van een groter gevoel van verbondenheid en welbevinden. Op veel Vlaamse scholen is de kring nog geen gebruikelijke organisatievorm. Daarbij worden leerlingen geconfronteerd met het Latijnse schrift door de naamkaartjes. Leerlingen die niet kunnen lezen, worden niet meteen in die voor hen bedreigende situatie geplaatst. Iemand anders helpt die leerlingen bij het vinden van het juiste naamkaartje. De niet-lezers krijgen wel een functioneel contact met het Latijnse schrift. Ook activiteit 2 is opgezet in de kring. Activiteit 3 is gekozen om de groepsverbondenheid te bevorderen.

Bovendien krijgen de leerkrachten aanwijzingen om bij elk van deze activiteiten relevant taalaanbod te gebruiken voor het ontwikkelen van de schooltaalvaardigheid. Het taalaanbod bevat elementen en structuren die de leerlingen moeten begrijpen om deel te kunnen nemen aan het onderwijs, bv. schoolse instructies. Veel lezers zullen nu denken: 'maar die leerlingen begrijpen dat taalaanbod toch helemaal niet'. Dat is deels juist en deels fout. De leerlingen zullen niet alles van het taalaanbod begrijpen. Dat hoeft ook niet (zie punt 3.1 en 3.3). Leerlingen zullen wel proberen om zoveel mogelijk van het taalaanbod te vatten (zie 3.2).

   3.   KENMERKEN VAN TAKEN VOOR BEGINNENDE LEERDERS

   3.1   Hier-en-nu

Leerlingen moeten het taalaanbod bij een taak kunnen (be)grijpen. De context waarin het taalaanbod geleverd wordt moet daarom zo verhelderend mogelijk zijn. Die duidelijke context is het gemakkelijkst te bereiken door taken te situeren in de hier-en-nu situatie. De leerlingen kunnen het taalaanbod (be)grijpen doordat het een onmiddellijke visuele neerslag krijgt in het handelen van de leerkracht of van leerlingen. De link tussen wat gebeurt en wat gezegd wordt, is duidelijk.

Er zijn twee overkoepelende types activiteiten waarbij de link tussen wat gebeurt en wat gezegd wordt duidelijk is. Enerzijds zijn dat opdrachten die een concrete handeling vragen: het maken van een web met een bolletje wol is daar een voorbeeld van. Daarbij moeten leerlingen instructies van de leerkracht uitvoeren. Het tweede overkoepelende type bestaat uit opdrachten die vragen om een probleem op te lossen. Hieronder vallen goocheltrucs en observatieopdrachten. Die bieden veel mogelijkheden tot

64

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties