taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Negende conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 9 | Negende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1996)


Bijdrage: Leesonderwijs in het kader van leren leren. Grammatica in actie (Wim van Calcar)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Leesonderwijs in het kader van leren leren

3.   ANALYSE

De leerling wordt gevraagd op basis van de titel te voorspellen. Hij hoort niet waarvoor dat nodig is: het doel ontbreekt. Zijn antwoord keurt de leraar af met geen andere aanwijzing om het beter te doen dan staat dat er? De leerling zegt vervolgens letterlijk, wat er staat: (de vergissing) heette mus. De leraar antwoordt met een nieuwe vraag: wat is mus. Dat is bepaald geen vraag die is toegesneden op het doel, namelijk te achterhalen wat er in de titel staat. Met het antwoord van de leerling: een mus is een vogel schiet hij dan ook niet op. Een nieuwe vraag volgt, die heel algemeen gesteld wordt: kun je er iets meer over vertellen. Het antwoord van de leerling is opnieuw veel betekenend: niet veel, want ik heb het nog niet gelezen. De vraag van de leraar brengt hem dus niet verder. Het verzoek dat daarop volgt en het bijbehorende antwoord leveren hetzelfde beeld op: raad eens. Leerling: Een vergissing die een mus gemaakt heeft. De leraar reageert wat hulpeloos: staat dat er? Nee, inderdaad niet. Wat nu? De leraar stelt voor, door te lezen, waarna de vraag volgt: begrijp je wat je gelezen hebt?, een vraag die herhaald wordt nadat de leerling zijn antwoord gegeven heeft: heb je de zin goed gelezen? (De leraar had hier op het antwoord in kunnen gaan met vraag wat bedoel je met 'hun eigen plek'? en: waar lees je dat ze gestoord en gevangen worden?. De leerling had kunnen wijzen op de woorden verstoord en ingrijpen.) De vraag, of hij goed gelezen heeft, moet voor de leerling een aansporing zijn om de zin te herlezen. Dat doet hij door de zin letterlijk te herhalen (wat niet inhoudt dat hij nu wel goed gelezen heeft!). De leraar reageert positief, zodat de leerling tot een parafrase komt. De leraar wijst diens antwoord af in plaats van op het antwoord in te gaan middels vragen als: hoezo afwisselend? wat bedoel je daarmee? of wat heeft dat met

77

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties