1.2 De doelstellingen van het taalbeleid van de Raad van Europa
Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader staat in dienst van de algemene doelstelling van de Raad van Europa zoals geformuleerd in Aanbeveling R(82)18 en R(98)6 van het Comité van Ministers: 'het bevorderen van een grotere eenheid tussen zijn leden' door gemeenschappelijke activiteiten te ontplooien op cultureel gebied.
De activiteiten van de Raad voor Culturele Samenwerking van de Raad van Europa op het gebied van de moderne talen, sinds de oprichting georganiseerd in een reeks projecten voor de middellange termijn, ontlenen hun coherentie en continuïteit aan drie grondbeginselen die zijn neergelegd in de preambule van Aanbeveling R(82)18 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa:
- dat het rijke erfgoed van uiteenlopende talen en culturen in Europa een gemeenschappelijke bron is die het waard is beschermd en ontwikkeld te worden, en dat een grote onderwijsinspanning nodig is om die diversiteit om te zetten van een belemmering voor de communicatie in een bron van wederzijdse verrijking en begrip;
- dat het alleen door een betere kennis van de Europese moderne talen mogelijk zal zijn de communicatie en interactie tussen Europeanen met verschillende moedertalen te verbeteren en daarmee de Europese mobiliteit, wederzijds begrip en samenwerking te bevorderen, en vooroordelen en discriminatie weg te nemen;
- dat lidstaten, wanneer zij een nationaal beleid op het gebied van het onderwijs in moderne talen ontwikkelen, grotere convergentie op Europees niveau kunnen bereiken door gepaste afspraken voor blijvende samenwerking en coördinatie van dat beleid.
In het kader van deze beginselen heeft het Comité van Ministers oproepen gedaan aan de regeringen van de lidstaten:
- (F14) De nationale en internationale samenwerking bevorderen van gouvernementele en niet-gouvernementele instellingen die zich bezighouden met de ontwikkeling van onderwijs- en evaluatiemethoden voor het leren van moderne talen en met de vervaardiging en het gebruik van materialen, met inbegrip van instellingen die zich bezighouden met de vervaardiging en het gebruik van multimediale materialen.
- (F17) Alle noodzakelijke stappen zetten om te komen tot de oprichting van een doeltreffend Europees systeem van informatie-uitwisseling dat alle aspecten omvat van het leren, onderwijzen en onderzoeken van taal en dat volledig gebruik maakt van informatietechnologie.
Als gevolg hiervan zijn de activiteiten van de Raad voor Culturele Samenwerking, zijn Comité voor Onderwijs en zijn Sectie Moderne Talen gericht op de bevordering, ondersteuning en coördinatie van de inspanningen van lidstaten en niet-gouvernementele instellingen ter verbetering van het taalleren in overeenstemming met de genoemde grondbeginselen. Dit geldt in het bijzonder voor de stappen die regeringen en instellingen zetten om de algemene maatregelen door te voeren die zijn geformuleerd in de Bijlage bij R(82)18:
A. Algemene maatregelen
- Voor zover mogelijk zekerstellen dat alle groepen in hun bevolking toegang hebben tot doeltreffende middelen om kennis te verwerven van de talen van andere lidstaten (of van andere gemeenschappen in hun eigen land) en vaardigheden in het gebruik van die talen te verwerven waarmee zij in hun communicatiebehoefte kunnen voorzien en in het bijzonder:
- kunnen omgaan met alledaagse zaken in een ander land, en buitenlanders die in hun land verblijven kunnen helpen dat ook te doen;
- informatie en ideeën kunnen uitwisselen met jonge mensen en volwassenen die een andere taal spreken en hun gedachten en gevoelens aan hen kunnen overbrengen;
- een breder en dieper inzicht kunnen krijgen in de leefwijze en gedachtewereld van andere volken en in hun culturele erfgoed.
- De inspanningen van docenten/leerkrachten en leerders op alle niveaus bevorderen, aanmoedigen en ondersteunen om in hun eigen situatie de beginselen van de constructie van taalleersystemen (zoals die in toenemende mate worden ontwikkeld binnen het programma 'Moderne talen' van de Raad van Europa) toe te passen:
- door het onderwijzen en leren van taal te baseren op de behoeften, motivaties, kenmerken en bronnen van leerders;
- door zinvolle en realistische doelen zo expliciet mogelijk te definiëren;
- door gepaste methoden en materialen te ontwikkelen;
- door geschikte vormen en instrumenten te ontwikkelen voor de evaluatie van leerprogramma's.
- Onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's bevorderen die ertoe leiden dat op alle onderwijsniveaus methoden en materialen worden ingevoerd die geschikt zijn om verschillende klassen en soorten leerders in staat te stellen voldoende communicatieve vaardigheid te verwerven voor hun specifieke behoeften.
De preambule van R(98)6 herbevestigt de politieke doeleinden van de aanbevelingen op het gebied van de moderne talen:
- Alle Europeanen uit te rusten voor de uitdagingen van intensievere internationale mobiliteit en samenwerking, niet alleen in onderwijs, cultuur en wetenschap maar ook in handel en industrie.
- Wederzijds begrip, verdraagzaamheid en respect voor identiteit en culturele diversiteit bevorderen door meer doeltreffende internationale communicatie.
- De rijkdom en diversiteit van het Europese culturele leven handhaven en verder ontwikkelen door meer wederzijdse kennis van nationale en regionale talen, ook die welke op minder grote schaal worden onderwezen.
- Voorzien in de behoeften van een meertalig en multicultureel Europa door de merkbare ontwikkeling van het vermogen van Europeanen om met elkaar te communiceren over taal- en cultuurgrenzen, hetgeen een blijvende, levenslange inspanning vereist die door de bevoegde organen moet worden aangemoedigd, georganiseerd en gefinancierd op alle onderwijsniveaus.
- De mogelijke gevaren afwenden van de marginalisering van hen die het ontbreekt aan de vaardigheden die nodig zijn om te kunnen communiceren in een interactief Europa.
Aan deze doelstellingen werd bijzondere urgentie toegekend door de eerste top van staatshoofden, die xenofobie en ultranationalistisch verzet aanwees als een grote belemmering voor Europese mobiliteit en integratie, en als een belangrijke bedreiging van de Europese stabiliteit en het gezond functioneren van de democratie. De tweede top riep de voorbereiding op democratisch burgerschap uit tot prioriteit van het onderwijsbeleid en gaf daarmee extra gewicht aan een andere doelstelling van recente projecten:
Methoden in het vreemdetaalonderwijs bevorderen die onafhankelijke gedachten, oordelen en handelingen versterken in combinatie met sociale vaardigheden en verantwoordelijkheid.
In het licht van deze doelstellingen benadrukte het Comité van Ministers 'het politieke belang, nu en in de toekomst, van de ontwikkeling van specifieke actieterreinen, zoals strategieën voor de diversificatie en intensivering van het taalleren om meertaligheid te bevorderen in een pan-Europese context' en vestigde het de aandacht op de waarde van verder ontwikkelde onderwijsverbanden en uitwisselingen en van de benutting van het volledige potentieel van nieuwe communicatie- en informatietechnologieën.