Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Gemeenschappelijk Europees referentiekader

U bent hier: start » onderwijs » europees referentiekader

1.3 Wat is 'meertaligheid'?

De laatste jaren heeft het concept van de meertaligheid aan belang gewonnen in de door de Raad van Europa gehanteerde benadering van taalleren. Met meertaligheid wordt in dit verband niet bedoeld 'de kennis van een aantal talen' of 'het naast elkaar bestaan van verschillende talen in een bepaalde samenleving'. Die vorm van 'sociale' meertaligheid (multilingualism) kan worden bereikt door simpelweg verschillende talen aan te bieden in een bepaald school- of onderwijssysteem, door leerlingen te stimuleren meer dan één vreemde taal te leren of door de overheersende positie van het Engels in de internationale communicatie te verminderen. De hier bedoelde vorm van 'individuele' meertaligheid (plurilingualism) gaat verder en legt de nadruk op het feit dat naarmate iemands ervaring met taal in haar culturele contexten zich uitbreidt, van de taal van thuis naar die van de samenleving in het algemeen en vervolgens naar de talen van andere volken (hetzij geleerd in het onderwijs, hetzij door directe ervaring), die persoon deze talen en culturen niet in strikt gescheiden mentale compartimenten bewaart maar veeleer een communicatieve competentie opbouwt waaraan alle taalkennis en -ervaring bijdraagt en waarin talen verbanden en interacties aangaan. In verschillende situaties kan iemand flexibel een beroep doen op verschillende onderdelen van deze competentie om doeltreffende communicatie met een bepaalde gesprekspartner te realiseren. Gespreksgenoten kunnen bijvoorbeeld overschakelen van één taal of dialect naar een andere, gebruik makend van beider vermogen om zich uit te drukken in de ene taal en de andere te verstaan. Iemand kan ook kennis van meerdere talen benutten om de betekenis van een geschreven of zelfs gesproken tekst te begrijpen in een voorheen 'onbekende' taal, door woorden met een gemeenschappelijke internationale achtergrond te herkennen in een nieuwe gedaante. Mensen die enige kennis van een taal hebben, hoe gering ook, kunnen die gebruiken om anderen zonder kennis te helpen communiceren door te bemiddelen tussen gesprekspartners zonder gemeenschappelijke taal. In afwezigheid van een bemiddelaar kunnen zulke mensen desondanks enige mate van communicatie realiseren door hun volledige talige apparaat in stelling te brengen en te experimenteren met alternatieve uitdrukkingsvormen in verschillende talen of dialecten, gebruik te maken van paralinguïstiek (mime, gebaar, gelaatsuitdrukking, enzovoort) en hun taalgebruik radicaal te versimpelen.

Vanuit dit perspectief is het doel van taalonderwijs ingrijpend veranderd. Het wordt niet langer simpelweg beschouwd als het bereiken van de 'beheersing' van één, twee of zelfs drie afzonderlijke, geïsoleerde talen, met de 'ideale moedertaalspreker' als ultiem rolmodel. Het doel is nu veeleer om een linguïstisch repertoire te ontwikkelen waarin alle taalvaardigheden een plaats hebben. Dit impliceert uiteraard dat de door onderwijsinstellingen aangeboden talen dienen te worden gediversifieerd en dat studenten en leerlingen de gelegenheid moet worden geboden om de juiste meertalige competentie te ontwikkelen. Bovendien is, als eenmaal is vastgesteld dat taalleren een levenslange opgave is, de ontwikkeling van de motivatie, de vaardigheid en het zelfvertrouwen van jongeren in de confrontatie met nieuwe taalervaringen buiten school van centraal belang geworden. De verantwoordelijkheden van onderwijsinstanties, examencommissies en docenten/leerkrachten kan niet simpelweg beperkt blijven tot het bereiken van een bepaald vaardigheidsniveau in een bepaalde taal op een bepaald tijdstip, hoe belangrijk dat ongetwijfeld ook is.

De volledige implicaties van een dergelijke paradigmaverschuiving moeten nog worden uitgewerkt en omgezet in daden. De recente ontwikkelingen in het taalprogramma van de Raad van Europa moeten instrumenten opleveren waarmee alle professionele taalonderwijzers de individuele meertaligheid kunnen bevorderen. Vooral de Europese Taalportfolio biedt een formule voor het registreren en formeel erkennen van taalverwerving en interculturele ervaringen van de meeste uiteenlopende aard. Daarvoor verschaft het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader niet alleen een schaal van taalvaardigheid in het algemeen, maar ook een onderverdeling in taalgebruik en taalcompetenties, waardoor het voor onderwijzenden gemakkelijk wordt om doelen te stellen en resultaten te omschrijven van de meest uiteenlopende aard, in overeenstemming met de verschillende behoeften, kenmerken en bronnen van leerders.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties