2.1 Een actiegerichte benadering
Een omvattend, doorzichtig en coherent referentiekader voor het leren, onderwijzen en beoordelen van talen moet verbonden zijn met een algemene visie op taalgebruik en taalleren. De hier gekozen benadering is actiegericht in die zin dat gebruikers en leerders van talen in de eerste plaats worden beschouwd als 'sociale wezens': leden van de maatschappij die - niet uitsluitend taalgerelateerde - taken hebben te verrichten in gegeven omstandigheden, in een bepaalde omgeving en op een bepaald handelingsgebied. Taalhandelingen treden op binnen taalactiviteiten die op hun beurt deel uitmaken van een bredere sociale context. Het is uitsluitend deze context die de volle betekenis van die activiteiten bepaalt. We spreken van 'taken' voor zover de handelingen worden verricht door een of meer mensen die strategisch gebruikmaken van hun eigen competenties om een bepaalde resultaat te bereiken. De actiegerichte benadering omvat dus ook de cognitieve, emotionele en wilsaspecten, en alle vaardigheden die specifiek zijn voor en worden toegepast door het individu als sociaal wezen.
Aldus kan elke vorm van taalgebruik en -verwerving als volgt worden omschreven:
Taalgebruik, met inbegrip van taalleren, omvat de handelingen die worden verricht door mensen die individueel en als sociale wezens een reeks algemene competenties en meer in het bijzonder communicatieve taalcompetenties ontwikkelen. Zij benutten hun competenties in verschillende contexten onder verschillende omstandigheden en met verschillende restricties om taalactiviteiten uit te voeren waarbij taalprocessen betrokken zijn voor het produceren of gebruiken van teksten met betrekking tot onderwerpen in bepaalde domeinen, waarbij zij die strategieën inzetten die het meest geschikt lijken voor de uitvoering van de te verrichten taken. Het bewust volgen (monitoren) van deze handelingen door deelnemers leidt tot versterking of aanpassing van hun competenties.
Als we ervan uitgaan dat de bovengenoemde dimensies met elkaar samenhangen in alle vormen van taalgebruik en taalleren, dan houdt alle leren of onderwijzen van een taal op enigerlei wijze verband met de volgende dimensies: strategieën, taken, teksten, algemene individuele competenties, communicatieve taalcompetentie, taalactiviteiten, taalprocessen, contexten en domeinen.
Het is ook mogelijk dat bij het leren en onderwijzen het doel en dus de beoordeling gericht is op een bepaald onderdeel of subonderdeel (waarbij de overige onderdelen dan worden beschouwd als hulpmiddelen of als aspecten die op een ander tijdstip meer nadruk zullen krijgen, of als niet relevant in de gegeven omstandigheden). Leerders, docenten/leerkrachten, cursusmakers, auteurs van leermiddelen en toetsontwikkelaars zijn onvermijdelijk betrokken bij dit proces, waarin bepaald wordt op welke dimensie de nadruk komt te liggen en in welke mate en op welke manier met andere dimensies rekening wordt gehouden. Dit wordt hierna met voorbeelden toegelicht. Het is echter direct duidelijk dat, hoewel de meeste lesprogramma's uitdrukkelijk gericht zijn op de ontwikkeling van communicatieve vaardigheden (wellicht omdat dat het meest kenmerkend is voor een methodologische aanpak?), in werkelijkheid sommige programma's een kwalitatieve of kwantitatieve ontwikkeling van taalactiviteiten in een vreemde taal beogen, andere dan weer de nadruk leggen op het kunnen gebruiken van de taal in een bepaald domein, weer andere op de ontwikkeling van algemene competenties, terwijl er ook zijn die zich hoofdzakelijk bezighouden met het verfijnen van strategieën. De stelling dat 'alles met alles samenhangt' betekent geenszins dat de doelstellingen niet kunnen variëren.
Alle hiervoor geschetste hoofdcategorieën kunnen weer worden onderverdeeld in subcategorieën, nog altijd erg algemeen, die in de volgende hoofdstukken aan de orde komen. In dit hoofdstuk kijken we slechts naar de verschillende aspecten van algemene competenties, communicatieve competentie, taalactiviteiten en domeinen.