Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

2.1.1 De algemene competenties van een individu

De algemene competenties van taalleerders of taalgebruikers (zie paragraaf 5.1) bestaan uit hun kennis, vaardigheden en existentiële competentie, alsmede uit hun leervermogen. Kennis, dat wil zeggen declaratieve kennis (savoir, zie 5.1.1), wordt opgevat als de uitkomst van ervaring (kennis gebaseerd op theorie en ervaring) en van meer formeel leren (academische kennis). Alle menselijke communicatie is afhankelijk van gemeenschappelijke kennis van de wereld. De kennis die een rol speelt bij het gebruiken en leren van talen houdt niet uitsluitend rechtstreeks verband met taal en cultuur. In het wetenschappelijk of het hoger technisch onderwijs speelt academische kennis natuurlijk een belangrijke rol bij het begrijpen van teksten in een vreemde taal, zoals dat ook in het beroepsleven geldt voor kennis gebaseerd op theorie en ervaring. Ervaringskennis van het dagelijks leven (dagindeling, maaltijden, vervoermiddelen, communicatie- en informatievoorziening) in het publieke of persoonlijke domein is echter even essentieel voor de beheersing van taalactiviteiten in een vreemde taal. Kennis van de gemeenschappelijke waarden en overtuigingen van sociale groepen in andere landen en regio's, zoals godsdienstige overtuigingen, taboes, het idee van een gezamenlijk verleden, enzovoort, is een wezenlijke voorwaarde voor interculturele communicatie. Deze verschillende kennisgebieden verschillen van mens tot mens. Ze kunnen cultuurgebonden zijn, maar hebben toch ook betrekking op meer universele parameters en constanten.

Nieuwe kennis wordt niet simpelweg toegevoegd aan de kennis die men al bezit. De verwerking ervan is afhankelijk van de aard, verscheidenheid en structuur van de voorafgaande kennis, die bovendien weer wordt aangepast en gereorganiseerd door de nieuwe kennis, al is het in geringe mate. Uiteraard is de kennis die iemand al heeft verworven van direct belang voor het leren van een taal. In veel gevallen wordt deze kennis van de wereld voorondersteld bij onderwijs- en leermethoden. Er zijn echter contexten (bijvoorbeeld de onderdompelingsmethode, waarbij de leerder een school of universiteit bezoekt waar het onderwijs niet in zijn of haar moedertaal wordt gegeven) waar gelijktijdig en in wisselwerking talige en andere kennis wordt verworven. In zulke gevallen moet zorgvuldig worden nagegaan wat de relatie is tussen kennis en communicatieve competentie.

Vaardigheden en bekwaamheden (savoir-faire, zie paragraaf 5.1.2) zijn, of het nu autorijden, vioolspelen of het voorzitten van een vergadering betreft, eerder afhankelijk van het vermogen om procedures uit te voeren dan van declaratieve kennis, al kan deze vaardigheid worden vergemakkelijkt door de verwerving van 'vergetelijke' kennis en gepaard gaan met vormen van existentiële competentie, bijvoorbeeld een ontspannen houding of juist spanning tijdens het uitvoeren van een taak. Neem het voorbeeld van het besturen van een auto, iets wat door herhaling en ervaring uiteindelijk een reeks bijna automatische processen wordt (ontkoppelen, schakelen, enzovoort). Autorijden vereist aanvankelijk een expliciete opsomming van bewuste en te verwoorden handelingen ('Laat het koppelingspedaal langzaam opkomen en voel de motor overgaan in de derde versnelling') en het leren van bepaalde feiten ('Een handgeschakelde auto heeft drie pedalen in de volgende opstelling') waaraan men niet bewust hoeft te denken wanneer men eenmaal 'auto kan rijden'. Tijdens de rijlessen is meestal een grote mate van concentratie en een verhoogd bewustzijn vereist omdat het zelfbeeld van de leerling bijzonder kwetsbaar is (risico om fouten te maken en incompetent te lijken). Zodra de chauffeur de vereiste vaardigheden beheerst, mag verwacht worden dat hij of zij veel meer op zijn of haar gemak zal zijn en met meer zelfvertrouwen rijdt. Anders zou dat verontrustend zijn voor de passagiers en voor andere verkeersdeelnemers. Het is duidelijk dat eenvoudig parallellen zijn te trekken met bepaalde aspecten van het leren van talen (bijvoorbeeld de uitspraak en sommige onderdelen van de grammatica, zoals de morfologie van vervoegingen).

Existentiële competentie (savoir-être, zie 5.1.4) kan worden beschouwd als de som van de individuele eigenschappen, karaktertrekken en attitudes die bijvoorbeeld betrekking hebben op het zelfbeeld en de visie op anderen, en de bereidheid om in sociale interactie betrekkingen met andere mensen aan te gaan. Dit type competentie wordt niet slechts opgevat als de uitkomst van onveranderbare persoonlijkheidskenmerken. Het omvat ook factoren die het product zijn van verschillende soorten culturele aanpassing en het is veranderbaar.

Deze karaktertrekken, attitudes en temperamenten zijn parameters waarmee rekening moet worden gehouden bij het leren en onderwijzen van talen. Daarom moeten ze worden opgenomen in een referentiekader, hoe lastig ze misschien ook te definiëren zijn. Ze worden beschouwd als onderdeel van iemands algemene competenties en dus als aspect van zijn of haar vermogens. Voor zover ze kunnen worden verworven of veranderd door gebruik en door (bijvoorbeeld talen) te leren, kan attitudeverandering een doelstelling zijn. Zoals al vaak is opgemerkt, zijn existentiële competenties cultuurgebonden en vormen zij daardoor een gevoelig gebied waar het gaat om interculturele inzichten en betrekkingen. De manier waarop een iemand uit een bepaalde cultuur vriendelijkheid en belangstelling uitdrukt, zou door iemand uit een andere cultuur kunnen worden gezien als agressief of beledigend.

Leervermogen (savoir apprendre, zie 5.1.4) doet een beroep op existentiële competentie, declaratieve kennis en vaardigheden, en is gebaseerd op verschillende soorten competentie. Leervermogen kan ook worden opgevat als 'het vermogen of de neiging om te ontdekken "wat anders is"- ongeacht of dat andere betrekking heeft op een andere taal, een andere cultuur, andere mensen of nieuwe kennisgebieden.

Hoewel leervermogen een algemeen toepasbaar begrip is, is het in het bijzonder relevant voor het leren van talen. Afhankelijk van de betrokken leerders kunnen bij leervermogen de volgende aspecten van existentiële competentie, declaratieve kennis, vaardigheden en bekwaamheden betrokken zijn, in verschillende mate en in verschillende combinaties:

  • Existentiële competentie: bijvoorbeeld de bereidheid om initiatief of zelfs risico te nemen in face-to-face communicatie, de kans te benutten om te spreken, hulp uit te lokken van gesprekspartners, bijvoorbeeld door hen te vragen iets in eenvoudiger bewoordingen te herhalen; verder luistervaardigheden, aandacht voor wat wordt gezegd, een verhoogd bewustzijn van de kans op culturele misverstanden in de betrekkingen met anderen.
  • Declaratieve kennis: bijvoorbeeld kennis van de juiste morfologische en syntactische relaties van bepaalde verbuigingspatronen in een taal, of het bewustzijn dat eetgewoonten of seksuele praktijken in bepaalde culturen zijn omgeven door taboes, rituelen of godsdienstige bijbetekenissen.
  • Vaardigheden en bekwaamheden: bijvoorbeeld bedrevenheid in het gebruik van woordenboeken, de weg weten in een documentatiecentrum en overweg kunnen met audiovisuele (computer)bronnen, zoals het internet.

Eén individu kan veel verschillen vertonen in het gebruik van vaardigheden en bekwaamheden en het vermogen om met het onbekende om te gaan:

  • Verschillen per gebeurtenis, afhankelijk van de vraag of het individu te maken heeft met nieuwe mensen, een geheel onbekend kennisgebied, een niet vertrouwde cultuur, een vreemde taal.
  • Verschillen per context: tegenover dezelfde gebeurtenis (bijvoorbeeld ouder/kindrelaties in een bepaalde gemeenschap) zal het proces van ontdekking en het zoeken van betekenis ongetwijfeld anders zijn voor een etnoloog, een toerist, een zendeling, een journalist, een onderwijzer en een dokter, die allen handelen vanuit hun eigen discipline en perspectief.
  • Verschillen die afhangen van huidige omstandigheden en eerdere ervaring: het is erg waarschijnlijk dat voor het leren van een vijfde vreemde taal andere vaardigheden worden gebruikt dan voor het leren van de eerste.

Zulke verschillen dienen ook te worden overwogen naast concepten als 'leerstijlen' of 'leerdersprofielen', mits laatstgenoemde niet worden opgevat als voor altijd onveranderlijk.

Voor doelstellingeinden zullen de strategieën die het individu kiest om een bepaalde taak te verrichten, afhangen van de variëteit aan leermogelijkheden waarover hij of zij beschikt. Maar het is diezelfde diversiteit in leerervaringen, mits deze niet zijn opgedeeld of strikt repetitief zijn, die het individu helpt zijn of haar leervermogen uit te breiden.