Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

2.1.2 Communicatieve taalcompetentie

Communicatieve taalcompetentie omvat verscheidene elementen: linguïstische, sociolinguïstische en pragmatische. Elk van deze elementen wordt verondersteld kennis, vaardigheden en bekwaamheden te omvatten. Linguïstische competenties omvatten lexicale, fonologische, syntactische kennis en vaardigheden, en andere dimensies van taal als systeem, onafhankelijk van de sociolinguïstische waarde van varianten in de taal en de pragmatische functies die de taal vervult. Dit onderdeel, hier beschouwd vanuit het oogpunt van de communicatieve taalcompetentie van een bepaald individu, heeft niet alleen betrekking op reikwijdte en kwaliteit van kennis (bijvoorbeeld blijkend uit de gemaakte fonetische onderscheiden of de omvang en nauwkeurigheid van de woordenschat) maar ook op cognitieve ordening en de wijze waarop de kennis wordt opgeslagen (bijvoorbeeld blijkend uit de verschillende associatieve netwerken waarin de spreker een lexicaal element opneemt) en toegankelijk wordt gemaakt (activering, herinnering en beschikbaarheid). Kennis kan bewust en direct uit te drukken zijn of niet (denk opnieuw aan de beheersing van een fonetisch systeem). De ordening en toegankelijkheid verschillen van mens tot mens en zullen ook binnen een individu variëren (en bijvoorbeeld bij een meertalig iemand afhangen van de verschillen in zijn of haar meertalige taalcompetentie). Verder geldt dat de cognitieve ordening van de woordenschat en de opslag van uitdrukkingen en dergelijke onder meer afhangen van de culturele kenmerken van de gemeenschap(pen) waarin het individu is gesocialiseerd en waar zijn of haar leren heeft plaatsgevonden.

Sociolinguïstische competenties hebben betrekking op de sociaal-culturele omstandigheden van taalgebruik. Doordat het sociolinguïstische element gevoelig is voor sociale conventies (beleefdheidsregels, normen voor de omgang tussen generaties, mannen en vrouwen, maatschappelijke lagen en groepen, vastlegging in de taal van bepaalde fundamentele rituelen in de praktijk van een gemeenschap), raakt het strikt genomen alle talige communicatie tussen vertegenwoordigers van verschillende culturen, al zullen de deelnemers zich vaak niet bewust zijn van die invloed.

Pragmatische competenties hebben betrekking op het functionele gebruik van linguïstische bronnen (het produceren van taalfuncties, taalhandelingen), gebaseerd op scenario's of scripts voor interactionele uitwisseling. Ze hebben ook betrekking op de beheersing van discourse, cohesie en coherentie, de herkenning van teksttypen en -vormen, ironie en parodie. Nog meer dan voor het linguïstische geldt voor dit element dat het vanzelfsprekend in belangrijke mate wordt beïnvloed door de interacties en culturele omgevingen waarin deze vermogens worden opgebouwd.

Alle hier gebruikte categorieën zijn bedoeld om competentiegebieden en typen van competenties te karakteriseren die een sociaal wezen zich eigen maakt, dat wil zeggen innerlijke representaties, mechanismen en vermogens. Dat die bestaan in de cognitie blijkt uit observeerbare gedragingen. Tegelijkertijd zal elk leerproces bijdragen tot de ontwikkeling of verandering van deze zelfde innerlijke representaties, mechanismen en vermogens.

Elk van deze elementen komt meer gedetailleerd aan de orde in hoofdstuk 5.