Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Gemeenschappelijk Europees referentiekader

U bent hier: start » onderwijs » europees referentiekader

3.3 Presentatie van Gemeenschappelijke Referentieniveaus

Het vaststellen van een reeks gemeenschappelijke referentiepunten legt geen enkele beperking op aan de wijze waarop verschillende sectoren in verschillende pedagogische culturen verkiezen hun niveausysteem en modulen te ordenen of te beschrijven. Bovendien mag worden verwacht dat de exacte formulering van de reeks gemeenschappelijke referentiepunten, en van de descriptoren, in de loop van de tijd zal evolueren naarmate de ervaringen van de lidstaten en van instellingen met verwante deskundigheid worden verwerkt in de beschrijving.

Het is ook wenselijk dat de gemeenschappelijke referentiepunten voor verschillende doeleinden op verschillende wijzen gepresenteerd worden. Soms zal het gepast zijn om de voorgestelde Gemeenschappelijke Referentieniveaus samen te vatten in holistische paragrafen, zoals in tabel 1. Zo'n eenvoudige 'globale' weergave maakt het gemakkelijker om het systeem duidelijk te maken voor niet-gespecialiseerde gebruikers en biedt oriëntatiepunten aan leerkrachten en docenten/leerkrachten en aan curriculum- en leerplanontwikkelaars.

Tabel 1. Gemeenschappelijke Referentieniveaus: globale schaal

Vaardige gebruiker

C2

Kan vrijwel alles wat hij of zij hoort of leest gemakkelijk begrijpen. Kan informatie die afkomstig is uit verschillende gesproken en geschreven bronnen samenvatten, argumenten reconstrueren en hiervan samenhangend verslag doen. Kan zichzelf spontaan, vloeiend en precies uitdrukken en kan hierbij fijne nuances in betekenis, zelfs in complexere situaties, onderscheiden.

C1

Kan een uitgebreid scala van veeleisende, lange teksten begrijpen en de impliciete betekenis herkennen. Kan zichzelf vloeiend en spontaan uitdrukken zonder daarvoor aantoonbaar naar uitdrukkingen te moeten zoeken. Kan flexibel en effectief met taal omgaan ten behoeve van sociale, academische en beroepsmatige doeleinden. Kan een duidelijke, goed gestructureerde en gedetailleerde tekst over complexe onderwerpen produceren en daarbij gebruikmaken van organisatorische structuren en verbindingswoorden.

Onafhankelijke gebruiker

B2

Kan de hoofdgedachte van een ingewikkelde tekst begrijpen, zowel over concrete als over abstracte onderwerpen, met inbegrip van technische besprekingen in het eigen vakgebied. Kan zo vloeiend en spontaan reageren dat een normale uitwisseling met moedertaalsprekers mogelijk is zonder dat dit voor een van de partijen inspanning met zich meebrengt. Kan duidelijke, gedetailleerde tekst produceren over een breed scala van onderwerpen; kan een standpunt over een actuele kwestie uiteenzetten en daarbij ingaan op de voor- en nadelen van diverse opties.

B1

Kan de belangrijkste punten begrijpen uit duidelijke standaardteksten over vertrouwde zaken die regelmatig voorkomen op het werk, op school en in de vrije tijd. Kan zich redden in de meeste situaties die kunnen optreden tijdens reizen in gebieden waar de taal wordt gesproken. Kan een eenvoudige lopende tekst produceren over onderwerpen die vertrouwd of die van persoonlijk belang zijn. Kan een beschrijving geven van ervaringen en gebeurtenissen, dromen, verwachtingen en ambities en kan kort redenen en verklaringen geven voor meningen en plannen.

Basis-gebruiker

A2

Kan zinnen en regelmatig voorkomende uitdrukkingen begrijpen die verband hebben met zaken van direct belang (bijvoorbeeld persoonsgegevens, familie, winkelen, plaatselijke geografie, werk). Kan communiceren in simpele en alledaagse taken die een eenvoudige en directe uitwisseling over vertrouwde en alledaagse kwesties vereisen. Kan in eenvoudige bewoordingen aspecten van de eigen achtergrond, de onmiddellijke omgeving en kwesties op het gebied van directe behoeften beschrijven.

A1

Kan vertrouwde dagelijkse uitdrukkingen en basiszinnen, gericht op de bevrediging van concrete behoeften, begrijpen en gebruiken. Kan zichzelf aan anderen voorstellen en kan vragen stellen en beantwoorden over persoonlijke gegevens zoals waar hij/zij woont, wie hij/zij kent en dingen die hij/zij bezit. Kan op een simpele wijze reageren, aangenomen dat de andere persoon langzaam en duidelijk praat en bereid is om te helpen.

Als praktisch richtsnoer voor leerders, leerkrachten en docenten/leerkrachten en andere betrokkenen binnen het onderwijssysteem is waarschijnlijk een gedetailleerder overzicht nodig. Zo'n overzicht kan worden gepresenteerd in de vorm van een raster dat op elk van de zes niveaus de belangrijkste categorieën van taalgebruik weergeeft. Het voorbeeld in tabel 2 (op de volgende twee pagina's) is het ontwerp voor een begeleidingsinstrument voor zelfbeoordeling op basis van de zes niveaus. Het is bedoeld om leerders te helpen bij het opstellen van een profiel van hun voornaamste taalvaardigheden en bij het beslissen op welk niveau zij checklists met meer gedetailleerde beschrijvingen zouden kunnen gebruiken om hun vaardigheid zelf te beoordelen.

Voor andere doeleinden kan het wenselijk zijn zich te richten op een bepaald spectrum van niveaus en een bepaalde reeks categorieën. Door het scala van niveaus en categorieën te beperken tot die welke voor een bepaald doeleinde relevant zijn, is het mogelijk meer details toe te voegen en een nauwkeuriger indeling in niveaus en categorieën te maken. Een dergelijke mate van detaillering biedt de mogelijkheid een reeks modulen ten opzichte van elkaar te 'positioneren' – en ten opzichte van het Gemeenschappelijk Referentiekader.

In plaats van een profiel te maken op basis van categorieën van communicatieve activiteiten, kan men ook prestaties beoordelen op basis van aspecten van communicatieve taalcompetentie. Tabel 3 is opgezet voor de beoordeling van gesproken taal. Daarbij gaat het om kwalitatieve aspecten van taalgebruik.

Nederlandse Taalunie