Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

3.4 Toelichtende descriptoren

De drie tabellen waarmee de Gemeenschappelijke Referentieniveaus worden geïntroduceerd (tabel 1, 2 en 3) zijn samenvattingen van 'toelichtende descriptoren' uit een databank die voor het Europees Referentiekader is ontwikkeld en gevalideerd tijdens het onderzoeksproject dat is beschreven in bijlage B. De formuleringen zijn wiskundig volgens deze niveaus geschaald door het analyseren van de wijze waarop zij zijn geïnterpreteerd bij de beoordeling ervan door grote aantallen leerders.

Ten behoeve van het gebruiksgemak zijn de schalen met descriptoren geplaatst naast de relevante categorieën van het beschrijvingsschema in de hoofdstukken 4 en 5. De descriptoren verwijzen naar de volgende drie metacategorieën in het beschrijvingsschema:

Communicatieve activiteiten

Er zijn 'can do'-descriptoren voor receptie, interactie en productie. Het kan zijn dat er niet voor alle subcategorieën op elk niveau descriptoren bestaan. Bepaalde activiteiten zijn pas uitvoerbaar wanneer een bepaalde mate van competentieniveau is bereikt. Andere op hogere niveaus zijn als doelstelling niet meer relevant.

Strategieën

Er zijn 'can do'-descriptoren voor bepaalde strategieën die worden toegepast bij de uitvoering van communicatieve activiteiten. Strategieën worden beschouwd als scharnieren tussen de hulpbronnen (competenties) van de leerder en datgene wat hij of zij daarmee kan doen (communicatieve activiteiten). De principes van (a) het plannen van actie, (b) het afwegen van hulpbronnen en het compenseren van tekortkomingen tijdens de uitvoering en (c) het monitoren van resultaten en het - indien nodig - treffen van herstelmaatregelen worden beschreven in de paragrafen over interactie- en productiestrategieën in hoofdstuk 4.


Tabel 2. Gemeenschappelijke Referentieniveaus: beschrijvingsschema voor zelfbeoordeling

A1

A2

B1

B2

C1

C2

B

E

G

R

IJ

P

E

N

L

U

I

S

T

E

R

E

N

Ik kan vertrouwde woorden en basiszinnen begrijpen die mezelf, mijn familie en directe concrete omgeving betreffen, wanneer de mensen langzaam en duidelijk spreken.

Ik kan zinnen en de meest frequente woorden begrijpen die betrekking hebben op gebieden die van direct persoonlijk belang zijn (bijvoorbeeld basisinformatie over mezelf en mijn familie, winkelen, plaatselijke omgeving, werk). Ik kan de belangrijkste punten in korte, duidelijke eenvoudige boodschappen en aankondigingen volgen.

Ik kan de hoofdpunten begrijpen wanneer in duidelijk uitgesproken standaardtaal wordt gesproken over vertrouwde zaken die ik regelmatig tegenkom op mijn werk, school, vrije tijd enz. Ik kan de hoofdpunten van veel radio- of tv-programma's over actuele zaken of over onderwerpen van persoonlijk of beroepsmatig belang begrijpen, wanneer er betrekkelijk langzaam en duidelijk gesproken wordt.

Ik kan een langer betoog en lezingen begrijpen en zelfs complexe redeneringen volgen, wanneer het onderwerp redelijk vertrouwd is. Ik kan de meeste nieuws- en actualiteitenprogramma's op de tv begrijpen. Ik kan het grootste deel van films in standaardtaal begrijpen.

Ik kan een langer betoog begrijpen, zelfs wanneer dit niet duidelijk gestructureerd is en wanneer relaties slechts impliciet zijn en niet expliciet worden aangegeven. Ik kan zonder al te veel inspanning tv-programma's en films begrijpen.

Ik kan moeiteloos gesproken taal begrijpen, in welke vorm dan ook, hetzij in direct contact, hetzij via radio of tv, zelfs wanneer in een snel moedertaaltempo gesproken wordt als ik tenminste enige tijd heb om vertrouwd te raken met het accent.

L

E

Z

E

N

Ik kan vertrouwde namen, woorden en zeer eenvoudige zinnen begrijpen, bijvoorbeeld in mededelingen, op posters en in catalogi.

Ik kan zeer korte eenvoudige teksten lezen. Ik kan specifieke voorspelbare informatie vinden in eenvoudige, alledaagse teksten zoals advertenties, folders, menu's en dienstregelingen en ik kan korte, eenvoudige, persoonlijke brieven begrijpen.

Ik kan teksten begrijpen die hoofdzakelijk bestaan uit hoogfrequente, alledaagse of aan mijn werk gerelateerde taal. Ik kan de beschrijving van gebeurtenissen, gevoelens en wensen in persoonlijke brieven begrijpen.

Ik kan artikelen en verslagen lezen die betrekking hebben op eigentijdse problemen, waarbij de schrijvers een bepaalde houding of standpunt innemen. Ik kan eigentijds literair proza begrijpen.

Ik kan lange en complexe feitelijke en literaire teksten begrijpen, en het gebruik van verschillende stijlen waarderen. Ik kan gespecialiseerde artikelen en lange technische instructies begrijpen, zelfs wanneer deze geen betrekking hebben op mijn terrein.

Ik kan moeiteloos vrijwel alle vormen van de geschreven taal lezen, inclusief abstracte, structureel of linguïstisch complexe teksten, zoals handleidingen, specialistische artikelen en literaire werken.

S

P

R

E

K

E

N

I

N

T

E

R

A

C

T

I

E

Ik kan deelnemen aan een eenvoudig gesprek, wanneer de gesprekspartner bereid is om zaken in een langzamer spreektempo te herhalen of opnieuw te formuleren en mij helpt bij het formuleren van wat ik probeer te zeggen. Ik kan eenvoudige vragen stellen en beantwoorden die een directe behoefte of zeer vertrouwde onderwerpen betreffen.

Ik kan communiceren over een­voudige en alledaagse taken die een eenvoudige en directe uitwisseling van informatie over vertrouwde onderwerpen en activiteiten betreffen. Ik kan zeer korte sociale gesprekken aan, alhoewel ik gewoonlijk niet voldoende begrijp om het gesprek zelfstandig gaande te houden.

Ik kan de meeste situaties aan die zich kunnen voordoen tijdens een reis in een gebied waar de betreffende taal wordt gesproken. Ik kan onvoorbereid deelnemen aan een gesprek over onderwerpen die vertrouwd zijn, of mijn persoonlijke belangstelling hebben of die betrekking hebben op het dagelijks leven (bijvoorbeeld familie, hobby's, werk, reizen en actuele gebeurtenissen).

Ik kan zodanig deelnemen aan een vloeiend en spontaan gesprek, dat normale uitwisseling met moedertaalsprekers redelijk mogelijk is. Ik kan binnen een vertrouwde context actief deelnemen aan een discussie en hierin mijn standpunten uitleggen en ondersteunen.

Ik kan mezelf vloeiend en spontaan uitdrukken zonder merkbaar naar uitdrukkingen te hoeven zoeken. Ik kan de taal flexibel en effectief gebruiken voor sociale en professionele doeleinden. Ik kan ideeën en meningen met precisie formuleren en mijn bijdrage vaardig aan die van andere sprekers relateren.

Ik kan zonder moeite deelnemen aan welk gesprek of discussie dan ook en ben zeer vertrouwd met idiomatische uitdrukkingen en spreektaal. Ik kan mezelf vloeiend uitdrukken en de fijnere betekenisnuances precies weergeven. Als ik een probleem tegenkom, kan ik mezelf hernemen en mijn betoog zo herstructureren dat andere mensen het nauwelijks merken.

P

R

O

D

U

C

T

I

E

Ik kan eenvoudige uitdrukkingen en zinnen gebruiken om mijn woonomgeving en de mensen die ik ken, te beschrijven.

Ik kan een reeks uitdrukkingen en zinnen gebruiken om in eenvoudige bewoordingen mijn familie en andere mensen, leefomstandigheden, mijn opleiding en mijn huidige of meest recente baan te beschrijven.

Ik kan uitingen op een simpele manier aan elkaar verbinden, zodat ik ervaringen en gebeurtenissen, mijn dromen, verwachtingen en ambities kan beschrijven. Ik kan in het kort redenen en verklaringen geven voor mijn meningen en plannen. Ik kan een verhaal vertellen, of de plot van een boek of film weergeven en mijn reacties beschrijven.

Ik kan duidelijke, gedetailleerde beschrijvingen presenteren over een breed scala van onderwerpen die betrekking hebben op mijn interessegebied. Ik kan een standpunt over een actueel onderwerp verklaren en de voordelen en nadelen van diverse opties uiteenzetten.

Ik kan duidelijke, gedetailleerde beschrijvingen geven over complexe onderwerpen en daarbij subthema's integreren, specifieke standpunten ontwikkelen en het geheel afronden met een passende conclusie.

Ik kan een duidelijke, goedlopende beschrijving of redenering presenteren in een stijl die past bij de context en in een doeltreffende logische structuur, zodat de toehoorder in staat is de belangrijke punten op te merken en te onthouden.

S

C

H

R

I

J
V
E
N

Ik kan een korte, eenvoudige ansichtkaart schrijven, bijvoorbeeld voor het zenden van vakantiegroeten. Ik kan op formulieren persoonlijke details invullen, bijvoorbeeld mijn naam, nationaliteit en adres noteren op een hotelinschrijvingsformulier.

Ik kan korte, eenvoudige notities en boodschappen opschrijven. Ik kan een zeer eenvoudige persoonlijke brief schrijven, bijvoorbeeld om iemand voor iets te bedanken.

Ik kan eenvoudige samenhangende tekst schrijven over onderwerpen die vertrouwd of van persoonlijk belang zijn. Ik kan persoonlijke brieven schrijven waarin ik mijn ervaringen en indrukken beschrijf.

Ik kan een duidelijke, gedetailleerde tekst schrijven over een breed scala van onderwerpen die betrekking hebben op mijn interesses. Ik kan een opstel of verslag schrijven, informatie doorgeven of redenen aanvoeren ter ondersteuning vóór of tégen een specifiek standpunt. Ik kan brieven schrijven waarin ik het persoonlijk belang van gebeurtenissen en ervaringen aangeef.

Ik kan me in duidelijke, goed gestructureerde tekst uitdrukken en daarbij redelijk uitgebreid standpunten uiteenzetten. Ik kan in een brief, een opstel of een verslag schrijven over complexe onderwerpen en daarbij de voor mij belangrijke punten benadrukken. Ik kan schrijven in een stijl die is aangepast aan de lezer die ik in gedachten heb.

Ik kan een duidelijke en vloeiend lopende tekst in een gepaste stijl schrijven. Ik kan complexe brieven, verslagen of artikelen schrijven waarin ik een zaak weergeef in een doeltreffende, logische structuur, zodat de lezer de belangrijke punten kan opmerken en onthouden. Ik kan samenvattingen van en kritieken op professionele of literaire werken schrijven.


Tabel 3. Gemeenschappelijke Referentieniveaus: kwalitatieve aspecten van gesproken taal

REIKWIJDTE

NAUWKEURIGHEID

VLOEIENDHEID

INTERACTIE

COHERENTIE

C2

Toont grote flexibiliteit bij het herformuleren van ideeën in uiteenlopende linguïstische vormen om fijne betekenisnuances precies weer te geven, nadruk te leggen, onderscheid te maken en dubbelzinnigheid te vermijden. Heeft ook een goede beheersing van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal.

Blijft grammaticaal meester van complexe taal, ook wanneer de aandacht elders is gericht (bijvoorbeeld op vooruitdenken of het monitoren van de reacties van anderen).

Kan zich uitvoerig en spontaan vloeiend uitdrukken in natuurlijke spreektaal, waarbij problemen zo soepel worden vermeden of opgelost dat de gesprekspartner er nauwelijks iets van merkt.

Kan gemakkelijk en vaardig communiceren; bemerkt en gebruikt daarbij non-verbale hints en verschillen in intonatie schijnbaar moeiteloos. Kan zijn of haar bijdrage invoegen in het gezamenlijke gesprek door op volledig natuurlijke wijze op zijn of haar beurt te praten, te verwijzen, toespelingen te maken, enzovoort.

Kan tot een coherent en samenhangend betoog komen, volop en passend gebruikmakend van verschillende ordeningspatronen en een breed scala van verbindingswoorden en andere samenbindende elementen.

C1

Heeft een goede beheersing van een breed taalspectrum waardoor hij of zij een formulering kan kiezen om zich helder mee uit te drukken in een gepaste stijl over een breed scala van algemene, academische, beroepsmatige of ontspannende onderwerpen zonder zich te hoeven beperken in wat hij of zij wil zeggen.

Realiseert consequent een hoge mate van grammaticale correctheid; fouten zijn zeldzaam, moeilijk aan te wijzen en worden over het algemeen direct zelf verbeterd.

Kan zich vrijwel moeiteloos vloeiend en spontaan uitdrukken. Slechts een begripsmatig moeilijk onderwerp kan een natuurlijke, vloeiende taalstroom hinderen.

Kan een toepasselijke frase kiezen uit een paraat scala van gespreksfuncties om opmerkingen in te leiden en de aandacht van de toehoorders te trekken of te behouden, en om zijn of haar eigen bijdragen bekwaam in verband te brengen met die van andere sprekers.

Kan duidelijke, vloeiende, goed gestructureerde gesproken taal voortbrengen, die getuigt van een goede beheersing van ordeningspatronen, verbindingswoorden en samenbindende elementen.

B2+

B2

Beschikt over een voldoende brede taalbeheersing om duidelijke beschrijvingen te geven en standpunten te formuleren over de meeste algemene onderwerpen, zonder al te opvallend te hoeven zoeken naar woorden, en daarbij van bepaalde complexe zinsvormen gebruik makend.

Toont een betrekkelijk grote beheersing van de grammatica. Maakt geen fouten die tot onbegrip leiden en kan de meeste van zijn of haar vergissingen corrigeren.

Kan langere stukken tekst voortbrengen in een redelijk gelijkmatig tempo, hoewel hij of zij kan aarzelen tijdens het zoeken naar patronen en uitdrukkingen. Er zijn maar weinig merkbare lange onderbrekingen.

Kan een gesprek beginnen, op de juiste ogenblikken zijn of haar beurt nemen en de conversatie beëindigen wanneer dat nodig is, zij het niet altijd op elegante wijze. Kan discussies over vertrouwde onderwerpen op gang helpen en houden door te bevestigen dat iets begrepen is, anderen uit te nodigen het woord te nemen, enzovoort.

Kan gebruik maken van een beperkt aantal samenbindende elementen om zijn of haar uitingen te verbinden tot een helder, coherent betoog, hoewel in een langere bijdrage sprake kan zijn van een zekere 'springerigheid'.

B1+

B1

Beschikt over genoeg taalbeheersing om zich te redden, met een woordenschat die voldoende is om zich, met enige aarzeling en omhaal van woorden, te uiten over onderwerpen als familie, hobby´s en interessegebieden, werk, reizen en actualiteiten.

Maakt met een redelijke mate van nauwkeurigheid gebruik van een repertoire van veelgebruikte 'routines' en patronen die bekend zijn van meer voorspelbare situaties.

Kan op verstaanbare wijze doorpraten, ook al pauzeert hij of zij regelmatig voor grammaticale en lexicale planning en er is heel duidelijk sprake van herstelacties, vooral in langere vrij geproduceerde stukken tekst.

Kan een eenvoudig rechtstreeks gesprek beginnen, gaande houden en besluiten over onderwerpen die vertrouwd of van persoonlijk belang zijn. Kan gedeeltelijk herhalen wat iemand anders heeft gezegd om wederzijds begrip te bevestigen.

Kan een reeks kortere, op zichzelf staande eenvoudige elementen verbinden tot een samenhangende lineaire opeenvolging van punten.

A2 +

A2

Gebruikt elementaire zinspatronen met uit het hoofd geleerde frasen, kleine woordgroepen en formules om beperkte informatie over te brengen in eenvoudige alledaagse situaties.

Gebruikt sommige eenvoudige constructies correct, maar maakt nog systematisch elementaire fouten.

Kan zich in heel korte uitingen verstaanbaar maken, ondanks heel duidelijke onderbrekingen, valse starts en herformuleringen.

Kan vragen beantwoorden en reageren op eenvoudige uitspraken. Kan aangeven wanneer hij of zij het gesprek volgt maar is zelden in staat genoeg te begrijpen om uit zichzelf de conversatie gaande te houden.

Kan woordgroepen verbinden met eenvoudige voegwoorden als 'en', 'maar' en 'omdat'.

A1

Beschikt over een zeer elementair repertoire van woorden en eenvoudige frasen die betrekking hebben op persoonlijke gegevens en bepaalde concrete situaties.

Toont slechts beperkte beheersing van enkele eenvoudige grammaticale constructies en zinspatronen in een uit het hoofd geleerd repertoire.

Kan zeer korte, geïsoleerde, voornamelijk voorgekauwde uitingen hanteren, met veel onderbrekingen om naar uitdrukkingen te zoeken, minder vertrouwde woorden uit te spreken en de communicatie te herstellen.

Kan vragen stellen en beantwoorden over persoonlijke gegevens. Kan op een simpele manier interactief zijn maar de communicatie is volledig afhankelijk van herhaling, herformulering en herstel.

Kan woorden of woordgroepen met elkaar verbinden met heel elementaire lineaire verbindingswoorden als 'en' of 'toen.

Communicatieve taalcompetenties

Er zijn geschaalde descriptoren voor aspecten van linguïstische competentie en pragmatische competentie, en voor sociolinguïstische competentie. Bepaalde aspecten van competentie lijken niet op alle niveaus definieerbaar te zijn; onderscheid is alleen aangebracht waar dat zinvol is gebleken.

Voor een goed overzicht moeten de descriptoren globaal geformuleerd worden. Gedetailleerde lijsten met microfuncties, grammaticale vormen en woordenschat worden gepresenteerd in specificaties voor bepaalde talen (zoals Threshold Level 1990 voor het Engels). Een analyse van de functies, begrippen, grammatica en woordenschat die nodig zijn om de op de schalen beschreven communicatieve taken uit te voeren, zou deel kunnen uitmaken van het proces waarin nieuwe sets taalspecificaties worden ontwikkeld. Algemene competenties die in een dergelijke module besloten zitten (bijvoorbeeld kennis van de wereld, cognitieve vaardigheden) zouden op vergelijkbare wijze in een overzicht kunnen worden opgenomen.

De descriptoren naast de tekst in de hoofdstukken 4 en 5:

  • Zijn voor hun formulering gebaseerd op de ervaringen van een groot aantal instellingen die zich bezighouden met het definiëren van vaardigheidsniveaus.

  • Zijn ontwikkeld parallel aan de ontwikkeling van het model dat in hoofdstuk 4 en 5 beschreven wordt door interactie tussen (a) het theoretische werk van de auteurs, (b) de analyse van bestaande taalvaardigheidsschalen en (c) de praktijkworkshops met leerkrachten/docenten. Hoewel niet alle in hoofdstuk 4 en 5 beschreven categorieën volledig worden bestreken, geeft de set een indicatie van een mogelijke set descriptoren die deze volledige dekking wel kan bieden.
  • Zijn afgestemd op de volgende Gemeenschappelijke Referentieniveaus: A1 (Breakthrough), A2 (Waystage), B1 (Threshold), B2 (Vantage), C1 (Effective Operational Proficiency) en C2 (Mastery).
  • Voldoen aan de in bijlage A geschetste criteria voor effectieve descriptoren in die zin dat elke descriptor bondig, helder en transparant is, positief is geformuleerd, iets bepaalds beschrijft en op zichzelf staat – dat wil zeggen dat de interpretatie niet afhankelijk is van de formulering van andere descriptoren.

  • Zijn transparant, bruikbaar en relevant bevonden door groepen taaldocenten/leerkrachten (moedertaalsprekers en niet-moedertaalsprekers) uit uiteenlopende onderwijssectoren met heel verschillende opleidings- en ervaringsprofielen. Docenten/leerkrachten lijken de descriptoren in de set - die in workshops met hen is verfijnd vanuit een eerste verzameling van enkele duizenden voorbeelden - te begrijpen.

  • Zijn relevant voor de beschrijving van feitelijke leerresultaten van leerders in het lager en hoger middelbaar onderwijs, het beroeps- en het volwassenenonderwijs, zodat zij naar alle waarschijnlijkheid realistische doelstellingen vertegenwoordigen.

  • Zijn, tenzij anderszins vermeld, 'objectief geijkt' ten opzichte van een gemeenschappelijke schaal. Dit betekent dat de positie van de overgrote meerderheid van de descriptoren op de schaal gebaseerd is op de wijze waarop ze gebruikt zijn om prestaties van leerders te beoordelen, niet alleen op de mening van de auteurs.

  • Vormen een verzameling criteria-uitpsraken over het continuüm van vaardigheid in vreemde talen, die flexibel kan worden benut voor de ontwikkeling van criteriumgerelateerde beoordelingen. De uitspraken kunnen worden aangepast aan bestaande lokale systemen, nader uitgewerkt op basis van lokale ervaring en/of gebruikt voor de ontwikkeling van nieuwe sets met doelstellingen.

Hoewel de set als geheel niet uitputtend is en slechts geschaald is in één context (die wel meer talen en meer sectoren omvat) van het vreemdetalenonderwijs, heeft hij de volgende kenmerken:

  • De set is flexibel. Dezelfde set descriptoren kan worden ondergebracht - zoals hier - in de brede 'conventionele niveaus' die zijn onderscheiden op het Rüschlikon Symposium en gebruikt voor het project DIALANG van de Europese Commissie (zie bijlage C) en ook door ALTE (zie bijlage D). Ze kunnen ook worden weergegeven als smallere niveaus binnen leertrajecten.
  • De set is coherent vanuit het oogpunt van inhoud. Soortgelijke of identieke elementen die in verschillende descriptoren zijn opgenomen, blijken zeer vergelijkbare waarden op de schaal te hebben. Ook deze schaalwaarden bevestigen grotendeels de bedoelingen van de auteurs van de taalvaardigheidsschalen die als bron zijn gebruikt. Ze lijken bovendien een coherente correlatie te vertonen met de inhoud van de specificaties van de Raad van Europa en met de niveaus die zijn voorgesteld door DIALANG en ALTE.