3.6 Inhoudscoherentie in de Gemeenschappelijke Referentieniveaus
Een analyse van de functies, begrippen, grammatica en woordenschat die nodig zijn om de op de schalen beschreven communicatieve taken uit te voeren, kan deel uitmaken van het proces waarin nieuwe sets taalspecificaties worden ontwikkeld.
- Niveau A1 (Breakthrough) wordt beschouwd als het laagste niveau van generatief taalgebruik, het punt waarop leerders op een eenvoudige manier interactief kunnen zijn, eenvoudige vragen kunnen stellen en beantwoorden over zichzelf, over waar ze wonen, over wie ze kennen en over dingen die ze hebben, eenvoudige uitspraken kunnen doen en beantwoorden op het gebied van primaire behoeften of over zeer vertrouwde onderwerpen, en niet meer uitsluitend vertrouwen op een zeer beperkt, lexicaal geordend repertoire van situatiegebonden frasen.
- Niveau A2 lijkt overeen te komen met het niveau dat wordt beschreven in de specificatie van Waystage. Dit is het niveau waarop we de meeste descriptoren van sociale functies aantreffen, zoals eenvoudige alledaagse beleefdheidsvormen gebruiken om mensen te begroeten en aan te spreken; mensen begroeten, vragen hoe zij het maken en reageren op nieuws; zeer korte sociale gesprekken hanteren; vragen stellen en beantwoorden over bezigheden op het werk en in de vrije tijd; uitnodigingen doen en beantwoorden; bespreken wat men gaat doen, waar men naartoe gaat en een ontmoeting afspreken; aanbiedingen doen en aanvaarden. Hier vinden we ook descriptoren van activiteiten buitenshuis: de vereenvoudigde en ingekorte versie van de volledige set transactiespecificaties in 'The Threshold Level' voor in het buitenland wonende volwassenen. Enkele voorbeelden: eenvoudige transacties doen in winkels, postkantoren of banken; eenvoudige inlichtingen verkrijgen over reismogelijkheden; gebruikmaken van openbaar vervoer: trein, tram, bus en taxi, elementaire inlichtingen vragen, de weg vragen en wijzen, kaartjes kopen; alledaagse producten en diensten vragen en leveren.
- De volgende laag staat voor zeer goede Waystage-prestaties (A2+). Wat hier opvalt is meer actieve deelname aan gesprekken met enige hulp en zekere beperkingen, bijvoorbeeld: eenvoudige, beperkte face-to-face gesprekken beginnen, gaande houden en beëindigen; genoeg begrijpen om eenvoudige routinegesprekken te voeren zonder bovenmatige inspanning; zich verstaanbaar maken en ideeën en informatie uitwisselen over vertrouwde onderwerpen in voorspelbare alledaagse situaties, mits de gesprekspartner indien nodig helpt; met succes communiceren over elementaire thema's als hij of zij om hulp kan vragen om uit te drukken wat hij of zij wil zeggen; alledaagse situaties met voorspelbare inhoud afhandelen, al zal hij of zij meestal de boodschap iets moeten aanpassen en naar woorden moeten zoeken; met enige hulp redelijk gemakkelijk communiceren in gestructureerde situaties, maar deelname aan open discussies is tamelijk beperkt. Ook zien we hier aanzienlijk meer mogelijkheden om een monoloog te voeren, bijvoorbeeld: in eenvoudige bewoordingen uitdrukken hoe hij of zij zich voelt; een uitgebreide beschrijving geven van alledaagse aspecten van zijn of haar omgeving, zoals mensen, plaatsen, werk- of studiebelevenissen; vroegere activiteiten en persoonlijke ervaringen beschrijven; gewoonten en routines beschrijven; plannen en afspraken beschrijven; uitleggen wat hij of zij leuk of vervelend aan iets vindt; korte, elementaire beschrijvingen geven van gebeurtenissen en activiteiten; huisdieren en persoonlijke bezittingen beschrijven; met eenvoudige beschrijvende taal in het kort voorwerpen en bezittingen beschrijven en vergelijken.
- Niveau B1 komt overeen met de Threshold-specificatie voor bezoekers aan het buitenland en wordt waarschijnlijk het best getypeerd door twee aspecten. Het eerste is de vaardigheid om interactie te onderhouden en over te brengen wat men wil overbrengen in uiteenlopende contexten. Enkele voorbeelden: over het algemeen de hoofdpunten volgen van uitvoerige discussies rondom hem of haar, mits er helder gearticuleerd wordt gesproken in standaardtaal; persoonlijke gezichtspunten en meningen geven of achterhalen in een informeel gesprek met vrienden; de belangrijkste punten die hij of zij wil overbrengen op begrijpelijke wijze onder woorden brengen; een breed scala van eenvoudige taal flexibel benutten om veel onder woorden te brengen van wat hij of zij wil uitdrukken; een gesprek of discussie onderhouden, al kan het soms moeilijk zijn om hem of haar te volgen wanneer hij of zij precies probeert te zeggen wat wordt bedoeld; op verstaanbare wijze doorpraten, ook al last hij of zij regelmatig een onderbreking in voor grammaticale en lexicale planning en is er heel duidelijk sprake van herstelacties, vooral in langere vrij geproduceerde stukken tekst. Het tweede aspect is de vaardigheid om problemen in het dagelijks leven flexibel op te lossen, bijvoorbeeld zich redden in minder alledaagse situaties in het openbaar vervoer; omgaan met de meeste situaties die kunnen optreden wanneer hij of zij een reis boekt bij een reisagent of tijdens het reizen zelf; onvoorbereid in gesprek gaan over vertrouwde onderwerpen; een klacht indienen; initiatief nemen in een vraaggesprek/consult (bijvoorbeeld een nieuw onderwerp te berde brengen) maar in de interactie erg afhankelijk zijn van de vragensteller; iemand vragen te verduidelijken of aan te vullen wat hij zojuist gezegd heeft.
- De volgende laag moet een zeer goede Threshold (B1+) zijn. Dezelfde twee hoofdaspecten zijn ook hier aanwezig, aangevuld met een aantal descriptoren waarin de nadruk ligt op de uitwisselingen van hoeveelheden informatie, bijvoorbeeld boodschappen aannemen waarin vragen om inlichtingen worden overgebracht of problemen worden toegelicht; concrete informatie verschaffen waarnaar in een vraaggesprek/consult wordt gevraagd (bijvoorbeeld ziekteverschijnselen beschrijven aan een arts), zij het met beperkte nauwkeurigheid; uitleggen waarom iets een probleem is; een kort verhaal, artikel, voordracht, discussie, vraaggesprek of documentaire samenvatten, vertellen wat hij of zij ervan vindt en vragen over details beantwoorden; een voorbereid vraaggesprek voeren en daarbij informatie controleren en bevestigen, al moet hij of zij wellicht af en toe om herhaling vragen als het antwoord van de geïnterviewde erg snel of uitvoerig is; beschrijven hoe iets moet worden gedaan, met gedetailleerde aanwijzingen; met enig vertrouwen verzamelde feitelijke informatie uitwisselen over vertrouwde alledaagse en niet-alledaagse zaken binnen zijn of haar vakgebied.
- B2 is een nieuw niveau, dat even ver boven B1 (Threshold) ligt als A2 (Waystage) daaronder. Het is bedoeld als weergave van de Vantage-specificatie. De metafoor van de naam Vantage ('uitzicht') is dat de leerder, na langzame maar gestage vooruitgang op het tussenliggende niveau, ontdekt dat hij ergens is gekomen, dat de zaken er anders uitzien, dat hij of zij een nieuw perspectief heeft en op een nieuwe manier om zich heen kan kijken. Dit concept lijkt in hoge mate belichaamd te worden door de descriptoren die op dit niveau zijn geplaatst. Ze vertegenwoordigen een behoorlijke breuk met de inhoud tot nu toe. Aan de onderkant van het niveau ligt de nadruk bijvoorbeeld op effectief argumenteren:
zijn of haar meningen verantwoorden en overeind houden in discussies door het geven van ter zake doende uitleg, argumenten en commentaren; een standpunt over een actueel onderwerp toelichten en daarbij de voor- en nadelen van verschillende mogelijkheden noemen; een beredeneerd betoog opbouwen uit een keten van argumenten; een argument ontwikkelen onder verwijzing naar redenen om voor of tegen een bepaald standpunt te zijn; een probleem uitleggen en duidelijk maken dat de tegenpartij in een onderhandeling een concessie moet doen; speculeren over oorzaken, gevolgen, hypothetische situaties; actief meedoen aan ongedwongen discussies in vertrouwde contexten en daarbij commentaar geven, helder standpunten uitdragen, alternatieven beoordelen en hypothesen opstellen en erop reageren. Daarnaast lopen dwars door dit niveau twee nieuwe aandachtsgebieden. Het eerste benadrukt dat men zich meer dan staande kan houden in het sociale gesprek. Voorbeelden zijn op natuurlijke wijze, vloeiend en effectief converseren; tot in detail begrijpen wat er tegen hem of haar gezegd wordt in de standaardspreektaal, ook in een lawaaierige omgeving; een gesprek beginnen, op de juiste ogenblikken zijn of haar beurt nemen en de conversatie beëindigen wanneer dat nodig is, zij het niet altijd op elegante wijze; stereotiepe frasen gebruiken (bijvoorbeeld 'Dat is een lastige vraag') om tijd te winnen en de beurt te houden terwijl hij of zij iets bedenkt om te zeggen; zo vloeiend en spontaan in gesprek zijn dat regelmatige interactie met moedertaalsprekers goed mogelijk is zonder een van beide partijen te belasten; zich aanpassen bij de veranderingen van richting, stijl en nadruk die gebruikelijk zijn in conversatie; betrekkingen onderhouden met moedertaalsprekers zonder hen onbedoeld te amuseren of te irriteren en zonder hen te verplichten zich anders te gedragen dan zij tegenover een moedertaalspreker zouden doen. Het tweede nieuwe aandachtsgebied is een nieuwe mate van taalbewustzijn: fouten verbeteren die tot onbegrip of misverstanden hebben geleid; notitie nemen van 'favoriete fouten' en bewust opletten of hij of zij ze maakt; over het algemeen vergissingen en fouten corrigeren zodra hij of zij zich ervan bewust is; plannen wat er gezegd moet worden en hoe het gezegd moet worden, rekening houdend met de uitwerking op de ontvanger(s). Al met al lijkt dit een nieuwe drempel die een taalleerder moet overgaan.
- In de volgende laag - die staat voor een zeer goed Vantage-niveau (B2+) - blijft de nadruk, net als in B2 (Vantage), gelegd worden op argumenteren, effectieve sociale gesprekken en taalbewustzijn. De nadruk op argumenteren en sociale gesprekken kan echter ook worden opgevat als een nieuwe nadruk op gespreksvaardigheden. Deze nieuwe graad van gesprekscompetentie komt naar voren in het 'conversatiebeheer' (samenwerkingsstrategieën): feedback geven op en opvolging geven aan uitspraken en gevolgtrekkingen van andere sprekers en daardoor de ontwikkeling van de discussie bevorderen; eigen bijdragen bekwaam in verband brengen met die van anderen. Hetzelfde geldt met betrekking tot coherentie en cohesie: een beperkt aantal samenbindende elementen gebruiken om zinnen vloeiend met elkaar te verbinden tot een helder en samenhangend betoog; verscheidene verbindingswoorden doelmatig gebruiken om de relaties tussen ideeën helder af te bakenen; een argument stelselmatig opbouwen met de juiste benadrukking van belangrijke punten en relevante ondersteunende details. Ten slotte vinden we in deze laag een concentratie van descriptoren over onderhandelingssituaties: het formuleren van een pleidooi voor schadevergoeding, met gebruikmaking van overtuigende taal en eenvoudige argumenten voor genoegdoening; helder verklaren wat de grenzen van een concessie zijn.
- Niveau C1, de volgende laag, werd Effective Operational Proficiency genoemd. Kenmerkend voor dit niveau lijkt te zijn dat de taalleerder over een breed taalbereik beschikt, dat vloeiende, spontane communicatie mogelijk maakt, zoals uit de volgende voorbeelden blijkt:
Kan zich vrijwel moeiteloos vloeiend en spontaan uitdrukken. Heeft een goede beheersing van een breed repertoire aan woorden, waardoor hiaten in de woordenschat gemakkelijk kunnen worden gedicht met omschrijvingen. Er is nauwelijks sprake van merkbaar zoeken naar uitdrukkingen of toepassen van vermijdingsstrategieën; slechts een begripsmatig moeilijk onderwerp kan een natuurlijke, vloeiende taalstroom hinderen. De gespreksvaardigheden die de vorige laag kenmerkten, zijn ook op niveau C1 aanwezig, met de nadruk op nog meer vloeiendheid. Enkele voorbeelden: een gepaste frase selecteren uit een vloeiend repertoire van gespreksfuncties om zijn of haar opmerkingen in te leiden met de bedoeling de aandacht van de toehoorders te trekken of om tijd te winnen en de aandacht vast te houden tijdens het nadenken; heldere, gelijkmatig vloeiende, goed gestructureerde spraak produceren, waaruit beheersing spreekt van ordeningspatronen, verbindingswoorden en samenbindende elementen.
- Niveau C2 wordt weliswaar 'Mastery' ('beheersing') genoemd, maar dat wil niet zeggen dat hiermee competentie op het niveau van (bijna-)moedertaalsprekers wordt bedoeld. Dit niveau is bedoeld om de mate van nauwkeurigheid, gepastheid en moeiteloze omgang met de taal te karakteriseren die typerend is voor zeer succesvolle leerders. Tot de hier opgenomen descriptoren behoren bijvoorbeeld: het precies overbrengen van
fijnere betekenisnuances door met redelijke nauwkeurigheid gebruik te maken van een breed scala aan veranderings- of wijzigingselementen; heeft een goede beheersing van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal en is zich bewust van betekenisconnotaties; bij een moeilijkheid zo soepel herformuleren en herstructureren dat de gesprekspartner er nauwelijks erg in heeft.
De Gemeenschappelijke Referentieniveaus kunnen in een aantal verschillende vormen en met uiteenlopende detaillering worden gepresenteerd en gebruikt. Doordat er vaste referentiepunten bestaan wordt er echter toch transparantie en coherentie geboden, een instrument om plannen te maken voor de toekomst en een basis voor verdere ontwikkeling. De concrete toelichtende set descriptoren, die hier wordt gepresenteerd in combinatie met criteria en methodologieën voor toekomstige ontwikkeling van descriptoren, is bedoeld om beleidsmakers te helpen de meest geschikte toepassingen voor hun context te ontwerpen.