Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

3.9 Vaardigheidsniveaus en waarderingsschalen

Met betrekking tot het gebruik van schalen moet een belangrijk onderscheid worden gemaakt tussen de definitie van vaardigheidsniveaus, als in een schaal met Gemeenschappelijke Referentieniveaus, en de beoordeling van de mate van beheersing ten opzichte van een bepaalde doelstelling op één bepaald niveau. Een vaardigheidsschaal als die van de Gemeenschappelijke Referentieniveaus, definieert een reeks oplopende gradaties van vaardigheid. De schaal kan het gehele conceptuele bereik van taalvaardigheid omvatten, of alleen het gedeelte bestrijken dat binnen een bepaalde onderwijssector of instelling relevant is. Beoordeeld worden als niveau B2 kan voor de ene leerder (die bijvoorbeeld nog maar twee maanden eerder als niveau B1 werd beoordeeld) een geweldige prestatie inhouden, maar slechts een matige prestatie betekenen voor een andere leerder (die twee jaar eerder ook al als niveau B2 werd beoordeeld).

Afbeelding 7

Een bepaalde doelstelling kan op een bepaald niveau worden geprojecteerd. In afbeelding 7 bestrijkt examen Y de vaardigheidsgraad van de niveaus 4 en 5 op de vaardigheidsschaal. Er kunnen andere examens gericht zijn op andere niveaus en de vaardigheidsschaal kan worden gebruikt om de samenhang tussen de verschillende examens duidelijk te maken. Dit idee ligt ten grondslag aan het ESU-Referentiekader voor examens in Engels als vreemde taal en aan het ALTE-raamwerk om examens in verschillende Europese talen met elkaar in verband te brengen.

Prestaties van kandidaten bij examen Y kunnen worden beoordeeld in termen van een cijferschaal, bijvoorbeeld van 1 tot 5, waarbij een 3 de norm weergeeft om te slagen. Een dergelijke cijferschaal kan worden gebruikt voor de directe, subjectieve beoordeling van toetsen - zoals gebruikelijk bij spreek- en schrijfvaardigheid - en/of voor het rapporteren van het examenresultaat. Examen Y kan deel uitmaken van een reeks examens X, Y en Z. Elk van deze examens kan een zelfde cijferschaal hanteren, al zal duidelijk zijn dat een 4 voor examen X qua taalvaardigheid niet hetzelfde betekent als een 4 voor examen Y.

Als de examens X, Y en Z zijn afgezet tegen een gemeenschappelijke vaardigheidsschaal, moet het na verloop van tijd mogelijk zijn om het verband vast te stellen tussen de cijfers van het ene examen in de reeks en die van de beide andere. Dit kan worden bereikt door middel van een proces van verzamelen van expertise, analyseren van toetsspecificaties, vergelijken van officiële voorbeeldresultaten en schalen van de resultaten van kandidaten.

Op deze wijze kan het verband tussen examencijfers en vaardigheidsniveaus worden bepaald. Examens hebben immers per definitie een norm die door geoefende beoordelaars kan worden geïnterpreteerd. Het is noodzakelijk om deze normen expliciet en transparant te maken, voorbeelden te geven waarmee die normen worden geoperationaliseerd, en ze vervolgens uit te zetten op een schaal.

De beoordeling van schoolprestaties wordt in veel landen uitgedrukt in waarderingscijfers, bijvoorbeeld van 1 tot 6, waarbij 4 als voldoende en dus als slaagnorm voor het examen geldt. Wat de verschillende cijfers betekenen, wordt door de docenten/leerkrachten in de betrokken context weliswaar geïnternaliseerd, maar slechts zelden expliciet gedefinieerd. De aard van het verband tussen door docenten/leerkrachten gegeven beoordelingscijfers en vaardigheidsniveaus is in beginsel dezelfde als die tussen examencijfers en vaardigheidsniveaus. Een complicerende factor is echter dat er vele soorten normen zijn. Nog afgezien van de vorm van beoordeling die wordt gebruikt en de mate van gemeenschappelijke interpretatie door leraren in ongeacht welke context, valt dit te verklaren doordat elk schooljaar in elk schooltype in iedere onderwijsregio van nature een eigen norm oplevert. Een 4 aan het einde van de vierde klas betekent vanzelfsprekend niet hetzelfde als een 4 aan het einde van de derde klas op dezelfde middelbare school. En een 4 aan het einde van de vierde klas zal niet hetzelfde betekenen op twee verschillende soorten scholen.

Toch is het mogelijk bij benadering een verband te bepalen tussen de normen die in een bepaalde sector worden gebruikt en de vaardigheidsniveaus, door in een cumulatief proces bijvoorbeeld de volgende technieken toe te passen. Zo kunnen standaarddefinities worden verschaft voor verschillende waarderingscijfers voor prestaties met betrekking tot dezelfde doelstelling. Docenten/leerkrachten kan worden gevraagd het gemiddelde resultaat uit te zetten op een bestaande vaardigheidsschaal of raster, zoals tabellen 1 en 2. Ook kunnen representatieve voorbeelden van prestaties worden verzameld en in gezamenlijke waarderingssessies worden geijkt ten opzichte van een schaal. Ook kan aan docenten/leerkrachten worden gevraagd hun eigen gebruikelijke cijferwaardering toe te kennen aan eerder gewaardeerde, op video opgenomen leerlingen.

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • in welke mate zij belang hechten aan het vaststellen van een serie profielniveaus om de voortgang in vaardigheid binnen hun systeem als geheel te kunnen vastleggen;

  • in welke mate zij belang hechten aan de beschikbaarheid van transparante criteria voor het toekennen van waarderingscijfers met betrekking tot de doelen die zijn gesteld voor een bepaald vaardigheidsniveau, wellicht geoperationaliseerd door een examen, eventueel beoordeeld door docenten/leerkrachten;

  • in welke mate zij belang hechten aan de ontwikkeling van een gemeenschappelijk kader om coherente verbanden vast te stellen tussen een reeks onderwijssectoren, vaardigheidsniveaus en soorten beoordelingen binnen hun systeem.