Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

4 Taalgebruik en de taalgebruiker/taalleerder

Na drie inleidende en verklarende hoofdstukken wordt in de hoofdstukken 4 en 5 een tamelijk gedetailleerd raamwerk gepresenteerd van categorieën waarmee taalgebruik en de taalgebruiker kunnen worden beschreven. Overeenkomstig de gekozen actiegerichte benadering, wordt ervan uitgegaan dat de taalleerder op weg is een taalgebruiker te worden, zodat dezelfde categorieën van toepassing zullen zijn op leerders en gebruikers. Er moet echter wel een belangrijk onderscheid worden gemaakt. Wie een tweede of vreemde taal en cultuur leert, houdt niet op competent te zijn in zijn of haar moedertaal en de bijbehorende cultuur. Ook blijft de nieuwe competentie niet helemaal gescheiden van de oude. De leerder verwerft niet simpelweg twee afzonderlijke manieren van handelen en communiceren die geen verband met elkaar hebben. Hij of zij wordt meertalig en ontwikkelt interculturaliteit. De linguïstische en culturele competenties met betrekking tot elke taal worden beïnvloed door kennis van de andere en dragen bij aan intercultureel bewustzijn, vaardigheden en bekwaamheden. Zij stellen het individu in staat een veelzijdige, meer complexe persoonlijkheid te ontwikkelen, alsmede een groter potentieel om verder te gaan met het leren van talen en zich open te stellen voor nieuwe culturele ervaringen. Ook verwerven leerders de vaardigheid om, door tolken en vertalen, te bemiddelen tussen sprekers van de beide betrokken talen die niet rechtsreeks kunnen communiceren. Uiteraard wordt aandacht geschonken aan deze activiteiten (paragraaf 4.4.4) en competenties (paragraaf 5.1.1.3, 5.1.2.2 en 5.1.4), die de taalleerder onderscheiden van de eentalige moedertaalspreker.

Kaders met vragen. Vanaf dit hoofdstuk wordt elke paragraaf afgesloten met een kader waarin de gebruiker van het Referentiekader wordt uitgenodigd te 'overwegen en indien van toepassing te vermelden' wat hij of zij zou antwoorden op de vragen die volgen. De verschillende opties in de zin 'zal moeten kunnen omgaan met' hebben betrekking op het leren, onderwijzen en beoordelen van taal. De kadertekst is niet geformuleerd als een opdracht, maar als een suggestie. Dit gebeurt om het niet verplichtende karakter van het Referentiekaderproject te onderstrepen. Als de gebruiker besluit dat een heel terrein niet van belang is, hoeft niet elke paragraaf op dat terrein uitgebreid in overweging te worden genomen. In de meeste gevallen verwachten wij echter wel dat de gebruiker van het Referentiekader over de gestelde vragen zal nadenken en een antwoord zal overwegen. Als het om een belangrijke beslissing gaat, kan het antwoord worden geformuleerd met behulp van de aangedragen categorieën en voorbeelden, aangevuld met andere voor zover nodig voor de doelstelling in kwestie.

De analyse van taalgebruik en de taalgebruiker in dit hoofdstuk is van fundamenteel belang voor de toepassing van het Referentiekader, omdat deze analyse een structuur van parameters en categorieën oplevert waarmee iedereen die betrokken is bij het leren, onderwijzen en beoordelen van taal in concrete termen kan afwegen en besluiten, zo gedetailleerd als men wenst, wat hij of zij verwacht van de leerders voor wie zij verantwoordelijkheden op zich nemen: wat moeten zij kunnen met een taal en wat moeten zij weten om dat te kunnen doen. De analyse moet alomvattend zijn in haar bereik, maar natuurlijk niet uitputtend. Ontwerpers van studieprogramma's, schrijvers van studieboeken, docenten/leerkrachten en examinatoren zullen zeer gedetailleerde concrete beslissingen moeten nemen over de inhoud van teksten, oefeningen, praktijkopdrachten, toetsen, enzovoort. Dat proces kan nooit worden teruggebracht tot de simpele keuze uit een vooraf gedefinieerd menu. Op dat niveau moet door de betrokken praktijkmensen worden beslist op basis van hun oordeel en creativiteit. Wel zullen zij hier alle belangrijke aspecten van taalgebruik en -competentie moeten kunnen vinden die zij zullen willen meewegen. De globale structuur van hoofdstuk 4 heeft al met al het karakter van een soort checklist. Daarom wordt deze structuur aan het begin van het hoofdstuk ontvouwd. Gebruikers wordt aanbevolen zich vertrouwd te maken met die globale structuur en deze bij de hand te houden wanneer zij zich vragen stellen als:

  • Kan ik voorspellen in welke domeinen mijn leerders actief zullen zijn en in welke situaties zij terecht zullen komen? Zo ja, welke rollen spelen zij in die situaties?
  • Met wat voor soort mensen krijgen zij te maken?
  • Wat worden hun persoonlijke en beroepsmatige betrekkingen, en in welke institutionele kaders?
  • Naar wat voor objecten zullen zij moeten verwijzen?
  • Welke taken zullen zij moeten verrichten?
  • Wat voor thema's moeten zij kunnen behandelen?
  • Moeten zij spreken of hoeven zij alleen te luisteren en begrijpend te lezen?
  • Wat voor soort zaken moeten zij beluisteren of lezen?
  • Onder wat voor omstandigheden moeten zij handelen?
  • Op welke kennis van de wereld of van een andere cultuur zullen zij een beroep moeten doen?
  • Welke vaardigheden zullen zij moeten hebben ontwikkeld? Hoe kunnen zij zichzelf blijven zonder te worden misverstaan?
  • In hoeverre kan ik hiervoor verantwoordelijkheid nemen?
  • Als ik niet kan voorspellen in welke situaties de leerders de taal gaan gebruiken, hoe kan ik hen dan het beste voorbereiden op het gebruik van de taal zonder hen te hoog op te leiden, dat wil zeggen voor te bereiden op situaties die wellicht nooit zullen voorkomen?
  • Wat kan ik hun geven dat van blijvende waarde is, hoe zeer hun loopbanen later ook uiteen kunnen lopen?

  • Hoe kan het leren van een taal het beste bijdragen aan hun persoonlijke en culturele ontwikkeling tot verantwoorde burgers in een pluriforme democratische samenleving?

Uiteraard kan het Referentiekader deze vragen niet beantwoorden. Sterker nog, juist omdat de antwoorden afhangen van een goed inzicht in de leer- en onderwijssituatie en vooral van de behoeften, motivaties, kenmerken en bronnen van de leerders en andere betrokkenen, is de diversificatie van het aanbod noodzakelijk. In de volgende hoofdstukken wordt getracht het probleem zodanig onder woorden te brengen dat de zaken op doorzichtige en rationele wijze kunnen worden overwogen en indien nodig besproken en de beslissingen aan alle betrokkenen helder en concreet kunnen worden overgebracht.

Waar dat mogelijk is, wordt aan het eind van elke paragraaf voor meer informatie verwezen naar relevante literatuur in de Algemene Bibliografie.