Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

4.1.4 De psychische context van de gebruiker/leerder

De ordening van de externe context is in hoge mate onafhankelijk van de individuele taalgebruiker. Deze ordening is uiterst veelzijdig. Zij drukt de werkelijkheid op zeer verfijnde wijze uit, nauwkeurig weerspiegeld in de taal van de gemeenschap in kwestie en verworven door haar taalgebruikers in de loop van hun jeugd, hun schooltijd en de rest van hun leven, ten minste voor zover zij haar als relevant beschouwen. Als factor tijdens de deelname aan een communicatiegebeurtenis moeten we echter onderscheid maken tussen deze externe context, die voor één mens veel te veelzijdig is om rekening mee te houden of zelfs maar volledig waar te nemen, en de psychische context van de gebruiker/leerder.

De externe context wordt gefilterd en geïnterpreteerd door:

het waarnemingsapparaat,
de aandachtsmechanismen,
de langetermijnervaring, die het geheugen, de associaties en de connotaties beïnvloedt,
de praktische indeling van dingen, gebeurtenissen, enzovoort,
en de linguïstische categorie

van de taalgebruiker.

Deze factoren beïnvloeden de manier waarop de taalgebruiker de context waarneemt. De mate waarin de waargenomen context de psychische context voor de communicatiegebeurtenis vormt, wordt nader bepaald door overwegingen van relevantie in het licht van de volgende kenmerken van de taalgebruiker:
de intenties waarmee de communicatie wordt begonnen;
de gedachtegang: de stroom van gedachten, ideeën, gevoelens, zintuiglijke waarnemingen, indrukken en dergelijke, waarvan men zich bewust is;
verwachtingen in het licht van eerdere ervaringen;
bespiegeling: de toepassing van denkprocessen op de ervaring (bijvoorbeeld deduceren en induceren);
behoeften, drijfveren, motivaties, belangen die leiden tot een besluit om te handelen;
omstandigheden en beperkingen die de beschikbare handelingen beperken en beheersen;
de geestestoestand (vermoeidheid, opwinding, enz.), gezondheids- en persoonlijke eigenschappen (zie paragraaf 5.1.3).

De psychische context is derhalve meer dan alleen een factor die de informatieve inhoud van de direct waarneembare externe context beperkt. Het is mogelijk dat de gedachtegang sterker wordt beïnvloed door het geheugen, opgeslagen kennis, de verbeelding en andere interne cognitieve (en emotionele) processen. In dat geval is er slechts marginaal verband tussen de voortgebrachte taal en de waarneembare externe context. Denk bijvoorbeeld aan een examenkandidaat in een kale sporthal, of een wiskundige of dichter in zijn of haar studeerkamer.

Ook externe omstandigheden en beperkingen zijn voornamelijk relevant voor zover de gebruiker/leerder ze herkent en aanvaardt en zich er aan aanpast (of niet). Dit is grotendeels een kwestie van de persoonlijke interpretatie die het individu aan de situatie geeft in het licht van zijn of haar algemene competenties (zie paragraaf 5.1), zoals voorafgaande kennis, waarden en overtuigingen.

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • welke aannames worden gehanteerd over het vermogen van de leerder om relevante kenmerken van de externe contexten van communicatie waar te nemen en te herkennen;
  • hoe communicatie- en leeractiviteiten samenhangen met de drijfveren, motivaties en belangen van de leerder;
  • in hoeverre de leerder over zijn ervaringen moet nadenken;
  • op welke manieren de psychische kenmerken van de leerder de omstandigheden en beperkingen van de communicatie bepalen.