Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

4.4.1 Productieve activiteiten en strategieën

Productieve activiteiten en strategieën omvatten zowel mondelinge als schriftelijke activiteiten.

4.4.1.1 Bij mondelinge productieactiviteiten (spreken) brengt de taalgebruiker een gesproken tekst voort die wordt ontvangen door een publiek van een of meer luisteraars. Enkele voorbeelden van gesproken activiteiten:

  • mededelingen (informatie, aanwijzingen, enz.) omroepen;

  • een publiek toespreken (toespraken in het openbaar, colleges, preken, conferences, sportverslagen, verkooppresentaties, enz.).

Deze activiteiten kunnen bijvoorbeeld de volgende handelingen inhouden:

  • een geschreven tekst voorlezen;
  • spreken met behulp van aantekeningen, een geschreven tekst of visuele hulpmiddelen (diagrammen, plaatjes, grafieken, enz.);
  • een ingestudeerde rol spelen;
  • voor de vuist weg spreken;
  • zingen.

Hierna worden de volgende toelichtende schalen weergegeven:

  • Mondelinge productie in het algemeen

  • Monoloog: ervaringen beschrijven

  • Monoloog: een pleidooi houden (bijvoorbeeld in een debat)

  • Openbare mededelingen

  • Een publiek toespreken

MONDELINGE PRODUCTIE IN HET ALGEMEEN

C2

Kan duidelijke, vloeiende, goed geconstrueerde gesproken taal produceren met een doeltreffende logische structuur die de ontvanger helpt belangrijke punten op te merken en te onthouden.

C1

Kan duidelijke, gedetailleerde beschrijvingen en presentaties geven van complexe onderwerpen en daarbij subthema's integreren, bepaalde standpunten ontwikkelen en afronden met een passende conclusie.

B2

Kan duidelijke, stelselmatig ontwikkelde beschrijvingen en presentaties geven, met de juiste nadruk op belangrijke punten en ter zake doende ondersteunende details.

Kan duidelijke, gedetailleerde beschrijvingen en presentaties geven over een breed scala van onderwerpen die samenhangen met zijn of haar interessegebied, en daarbij ideeën uitwerken en kracht bijzetten met aanvullende punten en relevante voorbeelden.

B1

Kan redelijk vloeiend een heldere beschrijving volhouden van verscheidene onderwerpen binnen zijn of haar interessegebied, gepresenteerd als een lineaire reeks punten.

A2

Kan een eenvoudige beschrijving of presentatie geven van mensen, woon- of werkomstandigheden, dagelijkse routines, voorkeuren en afkeren en dergelijke in een korte reeks simpele frasen en zinnen die als in een lijst met elkaar verbonden zijn.

A1

Kan simpele, voornamelijk op zichzelf staande frasen produceren over mensen en plaatsen.

MONOLOOG: ervaringen beschrijven

C2

Kan duidelijke, goedlopende, uitvoerige en vaak gedenkwaardige beschrijvingen geven.

Kan duidelijke, gedetailleerde beschrijvingen geven van ingewikkelde onderwerpen.

C1

Kan uitvoerige beschrijvingen geven en verhalen vertellen, en daarin subthema's integreren om bepaalde punten uit te werken en af te ronden met een passende conclusie.

B2

Kan duidelijke, gedetailleerde beschrijvingen geven over een breed scala van onderwerpen die betrekking hebben op zijn of haar interessegebied.

Kan heldere beschrijvingen geven over een scala van vertrouwde onderwerpen binnen zijn of haar interessegebied.

Kan redelijk vloeiend een helder verhaal vertellen of een heldere beschrijving geven in de vorm van een lineaire opeenvolging van punten. Kan gedetailleerd verslag doen van ervaringen en daarbij gevoelens en reacties beschrijven.

B1

Kan details vertellen van onverwachte gebeurtenissen, zoals een ongeluk. Kan de plot van een boek of film navertellen en zijn of haar reacties beschrijven.

Kan dromen, verwachtingen en ambities beschrijven. Kan werkelijke of verbeelde gebeurtenissen beschrijven. Kan een verhaal vertellen.

Kan een verhaal vertellen of iets beschrijven als een simpele opsomming van punten. Kan alledaagse aspecten beschrijven van zijn of haar omgeving, zoals mensen, plaatsen en werk- of studie-ervaring.

Kan korte, elementaire beschrijvingen geven van gebeurtenissen en activiteiten. Kan plannen en afspraken, gewoonten en routinehandelingen, activiteiten in het verleden en persoonlijke ervaringen beschrijven.

A2

Kan in eenvoudige beschrijvende taal korte (vergelijkende) uitspraken doen over dingen en bezittingen. Kan uitleggen wat hij of zij goed of slecht vindt aan iets.

Kan zijn of haar gezinssituatie, woonomstandigheden, onderwijsachtergrond en huidige of laatste werk beschrijven.

Kan in eenvoudige bewoordingen mensen, plaatsen en bezittingen beschrijven.

A1

Kan zichzelf beschrijven, alsmede wat hij of zij doet en waar hij of zij woont.

MONOLOOG: een pleidooi houden (bijvoorbeeld in een debat)

C2

Geen descriptor beschikbaar

C1

Geen descriptor beschikbaar

Kan een argument stelselmatig opbouwen met de juiste benadrukking van belangrijke punten en relevante ondersteunende details.

B2

Kan een heldere argumentatie ontwikkelen en daarbij zijn of haar gezichtspunten uitvoerig uitwerken en ondersteunen met aanvullende punten en relevante voorbeelden.

Kan een beredeneerd betoog opbouwen uit een keten van argumenten. Kan een standpunt over een actueel onderwerp verklaren en de voor- en nadelen van verschillende opties uiteenzetten.

Kan een argument zo goed ontwikkelen dat het meestal probleemloos kan worden gevolgd.

B1

Kan in het kort redenen en verklaringen geven voor meningen, plannen en handelingen.

A2

Geen descriptor beschikbaar

A1

Geen descriptor beschikbaar

OPENBARE MEDEDELINGEN

C2

Geen descriptor beschikbaar

C1

Kan mededelingen vloeiend, vrijwel moeiteloos brengen, met gebruikmaking van nadruk en intonatie om fijnere betekenisnuances precies over te brengen.

B2

Kan over de meeste algemene onderwerpen mededelingen doen met een mate van helderheid, vloeiendheid en spontaniteit die de luisteraar geen inspanning kost of ongemak oplevert.

B1

Kan korte ingestudeerde mededelingen doen over een onderwerp dat betrekking heeft op alledaagse gebeurtenissen op zijn of haar gebied, die ondanks wellicht zeer buitenlandse klemtoon en intonatie toch goed verstaanbaar zijn.

A2

Kan zeer korte ingestudeerde mededelingen doen met een voorspelbare, uit het hoofd geleerde inhoud, die verstaanbaar zijn voor aandachtige luisteraars.

A1

Geen descriptor beschikbaar

N.B. De descriptoren op deze subschaal zijn niet geijkt op basis van empirische gegevens.

EEN PUBLIEK TOESPREKEN

C2

Kan een ingewikkeld onderwerp trefzeker, met zelfvertrouwen en duidelijk presenteren aan een publiek dat er niet vertrouwd mee is, en daarbij de voordracht flexibel structureren en aanpassen aan de behoeften van het publiek. Kan overweg met moeilijke en zelfs vijandige vragen.

C1

Kan een heldere, goed gestructureerde presentatie geven van een ingewikkeld onderwerp en daarbij gezichtspunten uitvoerig uitwerken en ondersteunen met aanvullende punten, redenen en relevante voorbeelden. Kan overweg met tussendoor geplaatste opmerkingen en deze spontaan en vrijwel moeiteloos beantwoorden.

B2

Kan een duidelijke, stelselmatig ontwikkelde presentatie geven, met de nadruk op belangrijke punten en ter zake doende ondersteunende details. Kan spontaan afwijken van een voorbereide tekst en ingaan op belangwekkende punten die vanuit het publiek worden aangedragen, en drukt zich daarbij vaak opmerkelijk vloeiend en gemakkelijk uit.

Kan een duidelijke, voorbereide presentatie geven, daarbij argumenten voor of tegen een bepaald standpunt noemen en de voor- en nadelen van verschillende opties geven. Kan een reeks vervolgvragen beantwoorden met een mate van vloeiendheid en spontaniteit die noch hem of haar, noch het publiek inspanning kost.

B1

Kan een voorbereide presentatie geven over een vertrouwd onderwerp binnen zijn of haar gebied, die helder genoeg is om het grootste deel van de tijd moeiteloos te worden gevolgd en waarin de belangrijkste punten met een redelijke mate van nauwkeurigheid worden uitgelegd. Kan vragen beantwoorden naar aanleiding van de presentatie, maar moet soms om herhaling vragen als er snel is gesproken.

A2

Kan een korte ingestudeerde presentatie geven over een onderwerp dat betrekking heeft op zijn of haar dagelijks leven, en daarbij beknopt redenen en verklaringen geven voor meningen, plannen en handelingen. Kan een beperkt aantal duidelijke vragen naar aanleiding van de presentatie beantwoorden.

Kan een korte, ingestudeerde, elementaire presentatie geven over een vertrouwd onderwerp. Kan duidelijke vragen naar aanleiding van de presentatie beantwoorden als hij of zij om herhaling kan vragen en als enige hulp bij het formuleren van het antwoord mogelijk is.

A1

Kan een zeer korte ingestudeerde verklaring voorlezen, bijvoorbeeld om een spreker aan te kondigen of een heildronk uit te brengen.

N.B. De descriptoren op deze subschaal zijn gemaakt door elementen van descriptoren van andere schalen met elkaar te combineren.

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • met welk gebied van mondelinge productieactiviteiten (spreken) de leerder zich zal moeten bezighouden.

4.4.1.2 Bij schriftelijke productieactiviteiten (schrijven) produceert de taalgebruiker een geschreven tekst die wordt ontvangen door een publiek van een of meer lezers.

Enkele voorbeelden van schrijfactiviteiten:

  • formulieren en vragenlijsten invullen;
  • artikelen schrijven voor tijdschriften, kranten, nieuwsbrieven, enz.;
  • posters maken;
  • rapporteren, memoranda schrijven, enz.;
  • aantekeningen maken voor later;
  • gedicteerde berichten noteren, enz.;
  • creatief en fantasierijk schrijven;
  • persoonlijke of zakelijke brieven schrijven, enz.

Hierna worden de volgende toelichtende schalen weergegeven:

  • Schriftelijke productie in het algemeen
  • Creatief schrijven
  • Verslagen en essays

SCHRIFTELIJKE PRODUCTIE IN HET ALGEMEEN

C2

Kan heldere, soepel lopende, complexe teksten schrijven in een gepaste en doelmatige stijl en met een logische structuur die de lezer helpt belangrijke punten te herkennen.

C1

Kan heldere, goed gestructureerde teksten schrijven over ingewikkelde onderwerpen, waarin de relevante belangrijke kwesties worden benadrukt en standpunten uitgebreid worden uitgewerkt en ondersteund met aanvullende punten, redenen en relevante voorbeelden, en afronden met een passende conclusie.

B2

Kan heldere, gedetailleerde teksten schrijven over uiteenlopende onderwerpen die verband houden met zijn of haar interessegebied, waarin informatie en argumenten uit verschillende bronnen worden bijeengevoegd en beoordeeld.

B1

Kan heldere samenhangende teksten schrijven over uiteenlopende vertrouwde onderwerpen binnen zijn of haar interessegebied door een reeks kortere afzonderlijke elementen lineair met elkaar te verbinden.

A2

Kan een reeks eenvoudige frasen en zinnen schrijven, verbonden door simpele voegwoorden als 'en', 'maar' en 'omdat'.

A1

Kan eenvoudige op zichzelf staande frasen en zinnen schrijven.

N.B. De descriptoren op deze schaal en op de beide volgende subschalen ('Creatief schrijven' en 'Verslagen en opstellen') zijn niet geijkt met het meetmodel op basis van empirische gegevens. De descriptoren op deze drie schalen zijn dan ook gemaakt door elementen van descriptoren van andere schalen met elkaar te combineren.

CREATIEF SCHRIJVEN

C2

Kan heldere, soepel lopende en ten volle boeiende verhalen schrijven en ervaringen beschrijven in een stijl die past bij het gekozen genre.

C1

Kan heldere, gedetailleerde, goed gestructureerde en uitgewerkte beschrijvingen en fantasierijke teksten schrijven in een trefzekere, persoonlijke, natuurlijke stijl die past bij de beoogde lezer.

B2

Kan helder en gedetailleerd schrijven over waargebeurde of aan de verbeelding ontsproten gebeurtenissen en ervaringen, en daarbij het verband tussen ideeën aangeven in heldere samenhangende tekst en zich houden aan de aanvaarde conventies van het betrokken genre.

Kan helder en gedetailleerd schrijven over een breed scala van onderwerpen die betrekking hebben op zijn of haar interessegebied. Kan een recensie schrijven over een film, boek of toneelstuk.

B1

Kan heldere beschrijvingen op papier zetten over een scala van vertrouwde onderwerpen binnen zijn of haar interessegebied. Kan ervaringen op papier zetten en daarbij gevoelens en reacties beschrijven in eenvoudige samenhangende tekst. Kan schrijven over een gebeurtenis, bijvoorbeeld een onlangs gemaakte reis – waargebeurd of verbeeld. Kan een verhaal schrijven.

A2

Kan schrijven over alledaagse aspecten van zijn of haar omgeving, bijvoorbeeld over mensen, plaatsen, werk- of studie-ervaringen in zinnen die met elkaar verbonden zijn. Kan zeer kort en elementair gebeurtenissen, activiteiten in het verleden en persoonlijke ervaringen beschrijven.

Kan een reeks eenvoudige frasen en zinnen schrijven over zijn of haar familie, woonomstandigheden, onderwijsachtergrond en huidige of laatste werk. Kan korte, eenvoudige verzonnen biografieën en eenvoudige gedichten over mensen schrijven.

A1

Kan eenvoudige frasen en zinnen schrijven over zichzelf en over verbeelde mensen, bijvoorbeeld waar zij wonen en wat zij doen.

VERSLAGEN EN ESSAYS

C2

Kan heldere vloeiend lopende, complexe verslagen, artikelen of opstellen voortbrengen waarin een zaak wordt beschouwd of een kritisch oordeel wordt gegeven over voorstellen of literaire werken. Kan een gepaste en doeltreffende logische structuur verschaffen die de lezer helpt belangrijke punten te onderscheiden.

C1

Kan heldere, goed gestructureerde uiteenzettingen schrijven over ingewikkelde onderwerpen, waarin de relevante belangrijke kwesties worden benadrukt. Kan standpunten uitvoerig uitwerken en ondersteunen met aanvullende punten, redenen en relevante voorbeelden.

B2

Kan een opstel of verslag schrijven waarin stelselmatig een argument wordt opgebouwd met de juiste benadrukking van belangrijke punten en relevante ondersteunende details. Kan verschillende ideeën of oplossingen voor een probleem evalueren.

Kan een opstel of verslag schrijven waarin een argument wordt opgebouwd en redenen voor of tegen een bepaald standpunt noemen en de voor- en nadelen van verschillende opties uitleggen. Kan informatie en argumenten uit verschillende bronnen bijeenvoegen.

B1

Kan korte, eenvoudige opstellen schrijven over belangwekkende onderwerpen. Kan met enig vertrouwen verzamelde feitelijke informatie over vertrouwde alledaagse en niet-alledaagse zaken binnen zijn of haar vakgebied samenvatten, in een verslag opnemen en becommentariëren.

Kan zeer beknopte verslagen schrijven volgens een standaardindeling, waarin alledaagse feitelijke informatie wordt doorgegeven en redenen voor handelingen worden vastgelegd.

A2

Geen descriptor beschikbaar

A1

Geen descriptor beschikbaar

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

• voor welke doeleinden de leerder zich zal moeten bezighouden met welke schrijfactiviteiten.

4.4.1.3 Productiestrategieën houden in dat de taalgebruiker zijn of haar bronnen mobiliseert en verschillende competenties op elkaar afstemt – sterke punten benadrukkend en zwakke punten wegmoffelend – om het beschikbare potentieel in overeenstemming te brengen met de aard van de taak. Er worden interne bronnen aangeboord, waarbij sprake kan zijn van bewuste voorbereiding (instuderen), rekening kan worden gehouden met de uitwerking van verschillende stijlen, betoogstructuren of formuleringen (rekening houden met publiek), of zelfs zaken kunnen worden opgezocht of hulp kan worden ingeroepen bij een tekort aan middelen (bronnen vinden). Wanneer niet de juiste bronnen zijn gemobiliseerd of gevonden, kan het voor de taalgebruiker raadzaam zijn om op een bescheidener versie van de taak te mikken en bijvoorbeeld een kaart te sturen in plaats van een brief; aan de andere kant kan iemand die de juiste mate van steun heeft gevonden, juist besluiten het omgekeerde te doen – en de taak op te waarderen (taak aanpassen). Evenzo moet de leerder/gebruiker zonder voldoende bronnen misschien genoegen nemen met minder dan hij of zij werkelijk wil uitdrukken; omgekeerd kan hij of zij dankzij aanvullende taalhulp, wellicht beschikbaar bij het herzien van de tekst, ambitieuzer worden in de vorm en uitdrukking van zijn of haar gedachten (boodschap aanpassen).

Manieren om de mate van ambitie aan de beschikbare bronnen aan te passen om succes op een beperkter gebied te waarborgen, worden wel vermijdingsstrategieën genoemd; bij opwaarderen van de ambitie spreken we van prestatiestrategieën. Bij toepassing van prestatiestrategieën kiest de taalgebruiker voor een positieve benadering met de bronnen die ter beschikking staan: benadering en overgeneralisatie met simpeler taal, parafrases of beschrijvende aspecten van wat hij of zij wil zeggen, of zelfs het 'verbuitenlandsen' van uitdrukkingen uit de moedertaal (compenseren); het gebruik van zeer toegankelijke geprefabriceerde taal waarvan hij of zij zich zeker voelt – 'eilandjes van betrouwbaarheid' – en die houvast geven in wat voor de gebruiker een nieuwe situatie of een nieuw begrip is dat hij of zij wil uitdrukken (voortbouwen op bestaande kennis), of het gewoon maar proberen met wat hij of zij zich half kan herinneren en waarvan hij of zij denkt dat het zou kunnen werken (uitproberen). Of de taalgebruiker zich er nu wel of niet van bewust is dat hij of zij compenseert, zich op glad ijs begeeft of de taal aarzelend gebruikt, feedback in de vorm van gelaatsuitdrukkingen, gebaren en latere ontwikkelingen in het gesprek bieden hem of haar de gelegenheid om het succes van de communicatie te volgen (succes monitoren). Daarnaast kan de taalgebruiker, in het bijzonder bij niet-interactieve activiteiten (bijvoorbeeld tijdens het geven van een presentatie of het schrijven van een verslag), bewust gespitst zijn op eigen veelgemaakte taal- en communicatiefouten en deze meteen corrigeren (zelfcorrectie).

PlanningInstuderen;
Bronnen vinden;
Rekening houden met publiek;
Taak aanpassen;
Boodschap aanpassen.
UitvoeringCompenseren;
Voortbouwen op bestaande kennis;
Uitproberen.
EvaluatieSucces monitoren.
HerstelZelfcorrectie.

Hierna worden de volgende toelichtende schalen weergegeven:

  • Planning
  • Compensatie
  • Monitoring en herstel

PLANNING

C2

Als B2

C1

Als B2

B2

Kan plannen wat er moet worden gezegd en met welke middelen dat moet worden gezegd, rekening houdend met het effect op de ontvanger(s).

Kan nieuwe combinaties en uitdrukkingen instuderen en uitproberen, en feedback vragen.

B1

Kan doorgronden hoe hij of zij de hoofdpunten die hij of zij wil overbrengen het beste kan communiceren, gebruikmakend van alle bronnen die beschikbaar zijn en de boodschap beperkend tot wat hij of zij zich kan herinneren of kan uitdrukken.

A2

Kan een geschikte set frasen uit zijn of haar repertoire oproepen en instuderen.

A1

Geen descriptor beschikbaar

COMPENSATIE

C2

Kan zo soepel een gelijkwaardige term gebruiken in plaats van een woord dat hem of haar ontschoten is, dat het nauwelijks merkbaar is.

C1

Als B2+

B2

Kan met uitwijdingen en parafrases hiaten in woordenschat en structuur opvullen.

Kan de kenmerken van iets concreets omschrijven waarvoor hij of zij zich het juiste woord niet kan herinneren.

Kan betekenis overbrengen door een woord met vergelijkbare betekenis te kwalificeren (bijvoorbeeld een vrachtwagen voor mensen in plaats van een bus).

B1

Kan een eenvoudig woord gebruiken waarvan de betekenis lijkt op het begrip dat hij of zij wil overbrengen, en vraagt daarbij om 'correctie'.

Kan een woord uit de moedertaal 'verbuitenlandsen' en om bevestiging vragen.

A2

Kan een onjuist woord uit zijn of haar repertoire gebruiken en de betekenis verduidelijken met gebaren.

Kan aangeven wat hij of zij bedoelt door het aan te wijzen ('Een van deze, alstublieft').

A1

Geen descriptor beschikbaar

MONITORING EN HERSTEL

C2

Kan bij een moeilijkheid zo soepel herformuleren en herstructureren dat de gesprekspartner er nauwelijks erg in heeft.

C1

Kan zich bij een moeilijkheid hernemen en herformuleren wat hij of zij wil zeggen zonder de stroom van gesproken woord volledig te onderbreken.

Kan vergissingen en fouten corrigeren zodra hij of zij zich ervan bewust is of als ze tot onbegrip en misverstanden leiden.

B2

Kan notitie nemen van 'veelgemaakte fouten' en bewust opletten of hij of zij ze maakt.

B1

Kan vergissingen met tijden of uitdrukkingen, die tot misverstanden leiden, corrigeren mits de gesprekspartner aangeeft dat er een probleem is.

Kan om bevestiging vragen dat een gebruikte vorm correct is.

Kan opnieuw beginnen met een andere tactiek wanneer de communicatie mislukt.

A2

Geen descriptor beschikbaar

A1

Geen descriptor beschikbaar