Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

4.4.2 Receptieve activiteiten en strategieën

Hiertoe behoren luister- en leesactiviteiten.

4.4.2.1 Bij auditieve receptie (luisteren) ontvangt en verwerkt de taalgebruiker als luisteraar gesproken invoer die wordt voortgebracht door een of meer sprekers. Luisteractiviteiten omvatten:

  • luisteren naar openbare mededelingen (informatie, aanwijzingen, waarschuwingen, enz.);
  • luisteren naar de media (radio, televisie, opnamen, bioscoop);
  • luisteren als lid van het aanwezige publiek (theater, publieksbijeenkomst, openbare lezing, amusementsprogramma, enz.);
  • luisteren naar gesprekken van derden, enz.

In elk van deze gevallen kan de taalgebruiker luisteren:

  • om de hoofdgedachte te horen;
  • om specifieke informatie te horen;
  • om gedetailleerd te worden geïnformeerd;
  • om te weten wat de gevolgen kunnen zijn, enz.

Hierna worden de volgende toelichtende schalen weergegeven:

  • Algemene luistervaardigheid
  • Gesprekken tussen moedertaalsprekers begrijpen
  • Luisteren als lid van het aanwezige publiek
  • Luisteren naar mededelingen en instructies
  • Luisteren naar geluidsmedia en opnamen

ALGEMENE LUISTERVAARDIGHEID

C2

Heeft geen moeite met het begrijpen van enige vorm van gesproken taal, hetzij in direct contact, hetzij via de media, voortgebracht met de snelheid van de moedertaalspreker.

C1

Kan genoeg verstaan om uitgebreide betogen te volgen over abstracte en complexe onderwerpen buiten zijn of haar eigen vakgebied, al moet hij of zij misschien af en toe een detail laten bevestigen, vooral wanneer het accent niet vertrouwd is. Kan een breed scala van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal herkennen, en merkt daarbij registerverschuivingen op. Kan een uitgebreid betoog volgen, ook wanneer het niet duidelijk gestructureerd is en wanneer verbanden slechts worden geïmpliceerd en niet uitdrukkelijk worden benoemd.

Kan gesproken standaardtaal verstaan, hetzij in direct contact, hetzij via de media, over vertrouwde en niet-vertrouwde onderwerpen die gewoonlijk worden aangetroffen in het persoonlijke, sociale, academische- of professionele leven. Alleen extreem achtergrondgeluid, onvoldoende structuur in het betoog en/of idiomatisch taalgebruik ondermijnen het begrip van het gesprokene.

B2

Kan de hoofdgedachten begrijpen van naar inhoud en vorm complexe gesproken tekst in een standaarddialect over concrete en abstracte onderwerpen, met inbegrip van technische besprekingen in het eigen vakgebied. Kan uitgebreide betogen en complexe redeneringen volgen, mits het onderwerp redelijk vertrouwd is en de richting van de discussie wordt aangegeven met expliciete signalen.

B1

Kan directe feitelijke informatie verstaan over gewone alledaagse of werkgebonden onderwerpen, en daarbij zowel algemene boodschappen als specifieke details herkennen, mits het gesproken woord helder wordt gearticuleerd in een over het algemeen vertrouwd accent.

Kan de hoofdpunten verstaan van heldere spraak in standaardtaal over vertrouwde zaken die regelmatig aan de orde komen op het werk, op school, in de vrije tijd, enzovoort, met inbegrip van korte verhalende teksten.

A2

Kan genoeg verstaan om te kunnen voldoen aan behoeften van concrete aard, mits er helder en langzaam wordt gearticuleerd.

Kan frasen en uitdrukkingen verstaan die verband houden met zaken van de meest directe prioriteit (elementaire persoons- en familiegegevens, boodschappen doen, plaatselijke geografie, werk), mits er helder en langzaam wordt gearticuleerd.

A1

Kan spraak volgen die heel langzaam en zorgvuldig wordt uitgesproken, met lange pauzes om de betekenis op te nemen.

GESPREKKEN TUSSEN MOEDERTAALSPREKERS BEGRIJPEN

C2

Als C1

C1

Kan eenvoudig complexe interacties van derden volgen in een groepsdiscussie of debat, zelfs over abstracte, complexe en niet-vertrouwde onderwerpen.

Kan een levendig gesprek tussen moedertaalsprekers volgen.

B2

Kan met enige inspanning veel volgen van wat rond hem of haar gezegd wordt, maar vindt het vaak moeilijk om effectief deel te nemen aan een discussie met meerdere moedertaalsprekers die hun taal op geen enkele wijze aanpassen.

B1

Kan over het algemeen de hoofdpunten volgen van een uitgebreide discussie die rondom hem of haar wordt gevoerd, mits er duidelijk wordt gearticuleerd in standaarddialect.

A2

Kan over het algemeen het onderwerp herkennen van de discussie rondom hem of haar, mits deze langzaam en duidelijk wordt gevoerd.

A1

Geen descriptor beschikbaar

LUISTEREN ALS LID VAN HET AANWEZIGE PUBLIEK

C2

Kan specialistische voordrachten en presentaties volgen waarin veel spreektaal, regionaal taalgebruik en niet-vertrouwde terminologie wordt gebezigd.

C1

Kan de meeste voordrachten, discussies en debatten betrekkelijk eenvoudig volgen.

B2

Kan de wezenlijke punten volgen van voordrachten, toespraken, verslagen en andere vormen van academische of professionele presentaties die naar inhoud en vorm complex zijn.

B1

Kan een voordracht of toespraak volgen binnen het eigen vakgebied, mits het onderwerp vertrouwd is en de presentatie direct en helder gestructureerd.

Kan directe, korte voordrachten over vertrouwde onderwerpen globaal volgen, mits deze worden gehouden in helder gearticuleerde standaardtaal.

A2

Geen descriptor beschikbaar

A1

Geen descriptor beschikbaar

LUISTEREN NAAR MEDEDELINGEN EN INSTRUCTIES

C2

Als C1

C1

Kan specifieke informatie onttrekken aan publieke mededelingen van slechte kwaliteit waarvan het geluid vervormd is, bijvoorbeeld in een station, stadion, enzovoort. Kan complexe technische informatie verstaan, zoals bedieningsvoorschriften en specificaties van vertrouwde producten en diensten.

B2

Kan mededelingen en berichten over concrete en abstracte onderwerpen verstaan, die met normale snelheid worden uitgesproken in standaarddialect.

B1

Kan eenvoudige technische informatie verstaan, zoals bedieningsvoorschriften voor alledaagse apparatuur. Kan gedetailleerde aanwijzingen volgen.

A2

Kan het belangrijkste punt in korte, duidelijke, eenvoudige boodschappen en aankondigingen volgen. Kan eenvoudige aanwijzingen verstaan over de juiste weg te voet of per openbaar vervoer van X naar Y.

A1

Kan zorgvuldig en langzaam tot hem of haar gerichte opdrachten verstaan en korte, eenvoudige aanwijzingen volgen.

LUISTEREN NAAR GELUIDSMEDIA EN -OPNAMEN

C2

Als C1

C1

Kan een breed scala van opgenomen en uitgezonden geluidsmateriaal verstaan, met inbegrip van enig niet-standaardtaalgebruik, en fijnere details herkennen zoals impliciete houdingen van en verhoudingen tussen sprekers.

B2

Kan opnamen in standaarddialect verstaan die veel worden aangetroffen in het sociale, beroeps- of onderwijsleven, en naast de inhoudelijke informatie ook standpunten en houdingen van sprekers herkennen.

Kan de meeste radiodocumentaires en het meeste andere opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal in standaarddialect verstaan en kan de stemming, toon, enzovoort van de spreker herkennen.

B1

Kan de inhoudelijke informatie van het meeste opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal over onderwerpen van persoonlijk belang verstaan wanneer deze wordt uitgesproken in heldere standaardtaal.

Kan de hoofdpunten verstaan van nieuwsberichten op de radio en van eenvoudiger opgenomen materiaal over vertrouwde onderwerpen dat betrekkelijk langzaam en helder wordt uitgesproken.

A2

Kan de wezenlijke informatie verstaan en onderscheiden in korte opgenomen passages over voorspelbare alledaagse zaken, die langzaam en helder worden uitgesproken.

A1

Geen descriptor beschikbaar

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • naar welke variatie in aanbod de leerder zal moeten kunnen luisteren;
  • voor welke doeleinden de leerder naar de invoer moet luisteren;
  • op wat voor manier de leerder zal luisteren.

4.4.2.2 Bij visuele receptie (lezen) ontvangt en verwerkt de taalgebruiker als lezer aanbod in de vorm van geschreven teksten die zijn voortgebracht door een of meer schrijvers.

Enkele voorbeelden van leesactiviteiten:

  • • lezen ter algemene oriëntatie;
  • • lezen ter informatie, bijvoorbeeld in naslagwerken;
  • • instructies lezen en opvolgen;
  • • lezen voor het plezier.

De taalgebruiker kan lezen:

  • om de hoofdgedachte te leren kennen;
  • om specifieke informatie te krijgen;
  • om gedetailleerd te worden geïnformeerd;
  • om te weten te komen wat de gevolgen kunnen zijn, enzovoort.

Hierna worden de volgende toelichtende schalen weergegeven:

  • Algemene leesvaardigheid
  • Correspondentie lezen
  • Oriënterend lezen
  • Lezen ter informatie en argumentatie
  • instructies lezen

ALGEMENE LEESVAARDIGHEID

C2

Kan vrijwel alle vormen van geschreven taal begrijpen en kritisch interpreteren, met inbegrip van abstracte, structureel complexe of zeer spreektalige literaire en niet-literaire geschriften. Kan een breed scala van lange, complexe teksten begrijpen en daarbij subtiele verschillen in stijl en impliciete en expliciete betekenissen opmerken.

C1

Kan lange, complexe teksten op detailniveau begrijpen, ongeacht of zij betrekking hebben op zijn of haar eigen vakgebied, mits hij of zij moeilijke passages kan herlezen.

B2

Kan in hoge mate zelfstandig lezen, past zijn of haar leesstijl en -snelheid aan verschillende teksten en doeleinden aan, en maakt selectief gebruik van toepasselijke naslagwerken. Beschikt over een grote actieve leeswoordenschat, maar kan enige moeite hebben met weinig voorkomende idiomatische uitdrukkingen.

B1

Kan met voldoende begrip directe feitelijke teksten lezen over onderwerpen die betrekking hebben op zijn of haar interessegebied.

A2

Kan korte, eenvoudige teksten begrijpen over vertrouwde zaken van concrete aard, die zijn geschreven in veelgebruikte alledaagse of werkgebonden taal.

Kan korte, eenvoudige teksten begrijpen, geschreven met de meest gebruikte woorden, met inbegrip van een aantal woorden uit de gemeenschappelijke internationale woordenschat.

A1

Kan zeer korte, eenvoudige teksten frase voor frase begrijpen door vertrouwde namen, woorden, en elementaire combinaties te herkennen en indien nodig te herlezen.

CORRESPONDENTIE LEZEN

C2

Als C1

C1

Kan alle correspondentie begrijpen, een enkele keer met behulp van een woordenboek.

B2

Kan correspondentie lezen met betrekking tot zijn of haar interessegebied en daarbij meteen de wezenlijke betekenis vatten.

B1

Kan de beschrijving van gebeurtenissen, gevoelens en wensen in persoonlijke brieven goed genoeg begrijpen om regelmatig met een penvriend(in) te corresponderen.

Kan elementaire soorten standaardbrieven en faxen (inlichtingen, bestellingen, bevestigingbrieven, enzovoort) over vertrouwde onderwerpen begrijpen.

A2

Kan korte, eenvoudige persoonlijke brieven begrijpen.

A1

Kan korte, eenvoudige berichten op brief- of ansichtkaarten begrijpen.

ORIËNTEREND LEZEN

C2

Als B2

C1

Als B2

B2

Kan snel lange, complexe teksten doorlezen en de relevante details vinden. Kan snel de inhoud en relevantie herkennen van nieuwsberichten, artikelen en verslagen over uiteenlopende professionele onderwerpen en dan beslissen of nadere bestudering de moeite waard is.

B1

Kan langere teksten snel doorlezen om gewenste informatie te zoeken, en informatie verzamelen uit verschillende delen van een tekst of uit verschillende teksten, om een bepaalde taak uit te voeren.

Kan relevante informatie vinden en begrijpen in alledaags materiaal, zoals brieven, brochures en korte officiële documenten.

A2

Kan specifieke, voorspelbare informatie vinden in eenvoudig alledaags materiaal, zoals advertenties, folders, menu's, lijsten en dienstregelingen. Kan specifieke informatie vinden in lijsten en de gewenste informatie isoleren (bijvoorbeeld de Gouden Gids gebruiken om een servicebedrijf of een winkel te zoeken). Kan alledaagse (verkeers)tekens en kennisgevingen begrijpen: in het openbaar, bijvoorbeeld op straat, in restaurants en op stations; op het werk, bijvoorbeeld richtingaanwijzers, aanwijzingen, waarschuwingen voor gevaar.

A1

Kan vertrouwde namen, woorden en zeer elementaire frasen herkennen in eenvoudige mededelingen in de meest alledaagse situaties.

LEZEN TER INFORMATIE EN ARGUMENTATIE

C2

Als C1

C1

Kan op detailniveau een breed scala van lange, complexe teksten begrijpen die veel worden aangetroffen in het sociale, professionele of academisch leven, en fijnere details herkennen zoals houdingen en uitgesproken of impliciete meningen.

B2

Kan informatie, ideeën en meningen ophalen uit zeer gespecialiseerde bronnen binnen zijn of haar vakgebied. Kan gespecialiseerde artikelen buiten het eigen vakgebied begrijpen, mits hij of zij af en toe een woordenboek kan gebruiken om zijn of haar interpretatie van terminologie te bevestigen.

Kan artikelen en verslagen over hedendaagse problemen begrijpen, waarin de schrijvers bepaalde stellingen of standpunten innemen.

B1

Kan de belangrijkste conclusies herkennen in van heldere signalen voorziene argumenterende teksten. Kan de redenering herkennen in de behandeling van de gepresenteerde kwestie, zij het niet noodzakelijkerwijs tot in de details.

Kan belangrijke punten herkennen in directe krantenartikelen over vertrouwde onderwerpen.

A2

Kan specifieke informatie herkennen in eenvoudiger schriftelijk materiaal waarmee hij of zij in aanraking komt, zoals brieven, brochures en korte krantenartikelen waarin gebeurtenissen worden beschreven.

A1

Kan een indruk krijgen van de inhoud van eenvoudiger informatief materiaal en korte, eenvoudige beschrijvingen, vooral als er visuele ondersteuning bij is.

INSTRUCTIES LEZEN

C2

Als C1

C1

Kan lange, complexe aanwijzingen bij een nieuwe machine of procedure op detailniveau begrijpen, ongeacht of de aanwijzingen betrekking hebben op zijn of haar eigen vakgebied, mits hij of zij moeilijke passages kan herlezen.

B2

Kan lange, complexe aanwijzingen op het eigen vakgebied begrijpen, met inbegrip van details over voorwaarden en waarschuwingen, mits hij of zij moeilijke passages kan herlezen.

B1

Kan helder geschreven directe aanwijzingen bij een apparaat begrijpen.

A2

Kan regels en bepalingen begrijpen, bijvoorbeeld op veiligheidsgebied, wanneer deze in eenvoudige taal zijn gesteld.

Kan eenvoudige aanwijzingen begrijpen bij apparatuur die men aantreft in het dagelijks leven, bijvoorbeeld een telefooncel.

A1

Kan korte, eenvoudige geschreven aanwijzingen opvolgen, bijvoorbeeld om van X naar Y te gaan.

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • oor welke doeleinden de leerder zal moeten kunnen lezen;
  • op welke manieren de leerder zal moeten kunnen lezen.

4.4.2.3 Bij audiovisuele receptie ontvangt de taalgebruiker tegelijkertijd hoorbare en zichtbare invoer. Audiovisuele receptieactiviteiten zijn bijvoorbeeld:

  • een tekst volgen terwijl deze wordt voorgelezen;
  • naar televisie, video of een film met ondertitels kijken;
  • nieuwe technologie gebruiken (multimedia, dvd, enzovoort).

Hier volgt een toelichtende schaal voor het kijken naar televisie en film:

KIJKEN NAAR TELEVISIE EN FILM

C2

Als C1

C1

Kan films volgen waarin een aanzienlijke hoeveelheid plat taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen wordt gebruikt.

B2

Kan de meeste nieuwsuitzendingen en actualiteitenprogramma's op de televisie begrijpen.

Kan documentaires, live uitgezonden vraaggesprekken, praatprogramma's, toneelstukken en de meeste films in standaarddialect begrijpen.

B1

Kan een groot deel begrijpen van veel televisieprogramma's over onderwerpen van persoonlijk belang, zoals vraaggesprekken, korte voordrachten en nieuwsverslagen, wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd.

Kan veel films volgen waarin een groot deel van de verhaallijn wordt gedragen door visuele effecten en actiescènes, en die helder worden gepresenteerd in directe taal.

Kan de hoofdpunten vatten van televisieprogramma's over vertrouwde onderwerpen wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd.

A2

Kan het belangrijkste punt herkennen van nieuwsberichten op televisie waarin verslag wordt gedaan van gebeurtenissen, ongelukken en dergelijke en waarin het beeld het commentaar ondersteunt.

Kan veranderingen van onderwerp volgen in een feitelijk nieuwsbericht op televisie en zich een indruk vormen van de belangrijkste inhoud.

A1

Geen descriptor beschikbaar

4.4.2.4 Receptiestrategieën behelzen het identificeren van de context en de kennis van de wereld die voor de receptie relevant is, in een proces waarin ook toepasselijke schemata worden geactiveerd. Deze leiden op hun beurt tot verwachtingen over de organisatie en inhoud van wat gaat komen (inkadering). Tijdens de receptieve activiteit worden aanwijzingen, herkend binnen de totale talige en niet-talige context en de verwachtingen met betrekking tot die context zoals gecreëerd door de relevante schemata, gebruikt om een weergave op te bouwen van de uitgedrukte betekenis, alsmede een hypothese over de achterliggende communicatieve intentie. Via een proces van herhaaldelijke pogingen tot bij benadering formuleren worden schijnbare en mogelijke hiaten in de boodschap opgevuld om de betekenisweergave compleet te maken en worden het belang van de boodschap en haar samenstellende delen gededuceerd (afleiden). De door afleiding opgevulde hiaten kunnen zijn ontstaan door talige beperkingen, slechte ontvangstcondities, gebrek aan omringende kennis, of door veronderstelde vertrouwdheid, dubbelzinnigheid, zwakke presentatie of fonetische reductie van de kant van de spreker/schrijver. De bruikbaarheid van het gehanteerde model, ontstaan op basis van het beschreven proces, wordt gelegd naast wat blijkt uit de co-tekstuele en contextuele aanwijzingen om te zien of deze in het geactiveerde schema 'passen' – de manier waarop men de situatie interpreteert (hypothese testen). Als een verkeerde combinatie wordt geïdentificeerd, leidt dat tot een terugkeer naar stap één (inkaderen) in de zoektocht naar een ander schema dat de inkomende aanwijzingen beter zou kunnen verklaren (hypothesen herzien).

  • Planning: Inkaderen ('mental set' kiezen, schemata activeren, verwachtingen opbouwen).
  • Uitvoering: Aanwijzingen identificeren en daaruit interpretaties afleiden.
  • Evaluatie: Hypothese testen: aanwijzingen combineren met schemata.
  • Herstel: Hypothesen herzien.

Hier volgt een toelichtende schaal:

IDENTIFICEREN VAN AANWIJZINGEN EN AFLEIDEN VAN INTERPRETATIES (mondeling en schriftelijk)

C2

Als C1

C1

Is vaardig in het gebruik van contextuele, grammaticale en lexicale aanwijzingen om daaruit houdingen, stemmingen en intensies af te leiden en te anticiperen op het vervolg.

B2

Kan gebruikmaken van uiteenlopende strategieën om tot begrip te komen, waaronder het luisteren naar hoofdpunten en het controleren van het eigen inzicht aan de hand van contextuele aanwijzingen.

B1

Kan niet-vertrouwde woorden over onderwerpen met betrekking tot het eigen vak- en interessegebied herkennen aan de context. Kan de betekenis van toevallig onbekende woorden extrapoleren uit de context en de betekenis van zinnen deduceren, mits het besproken onderwerp vertrouwd is.

A2

Kan zijn of haar begrip van de algemene betekenis van korte teksten over alledaagse onderwerpen van concrete aard gebruiken om de vermoedelijke betekenis van onbekende woorden af te leiden uit de context.

A1

Geen descriptor beschikbaar