4.4.3 Interactieve activiteiten en strategieën
Bij interactieve activiteiten treden de taalgebruiker en een of meer gesprekspartners afwisselend op als spreker en luisteraar om gezamenlijk, door betekenisonderhandeling volgens het samenwerkingsbeginsel, een conversatie op te bouwen.
Tijdens de interactie worden voortdurend receptie- en productiestrategieën toegepast. Er zijn ook categorieën cognitieve en collaboratieve strategieën (ook wel discoursestrategieën of samenwerkingsstrategieën genoemd) die zich richten op beheersing van de samenwerking en interactie, zoals het geven en nemen van beurten, het inkaderen van het onderwerp en het vastleggen van een bepaalde benadering, het voorstellen en beoordelen van oplossingen, het herhalen en samenvatten van het besprokene en het bemiddelen bij conflicten.
Voorbeelden van interactieve activiteiten zijn:
Hierna worden de volgende toelichtende schalen weergegeven:
| ALGEMENE MONDELINGE INTERACTIE | |
| C2 | Heeft een goede beheersing van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal en is zich bewust van betekenisconnotaties. Kan fijnere betekenisnuances precies overbrengen door met redelijke nauwkeurigheid gebruik te maken van een breed scala van bepalende elementen. Kan bij een moeilijkheid zo soepel herformuleren en herstructureren dat de gesprekspartner er nauwelijks erg in heeft. |
| C1 | Kan zich vrijwel moeiteloos vloeiend en spontaan uitdrukken. Heeft een goede beheersing van een breed repertoire aan woorden, waardoor hiaten in de woordenschat gemakkelijk kunnen worden gedicht met omschrijvingen. Er is nauwelijks sprake van merkbaar zoeken naar uitdrukkingen of toepassen van vermijdingsstrategieën; slechts een begripsmatig moeilijk onderwerp kan een natuurlijke, vloeiende taalstroom hinderen. |
| B2 | Kan de taal vloeiend, nauwkeurig en doeltreffend gebruiken over een breed scala van algemene, onderwijs-, beroeps- of ontspanningsonderwerpen en daarbij helder de verhoudingen tussen ideeën aanduiden. Kan spontaan communiceren met een goede beheersing van de grammatica zonder veel tekenen dat hij of zij zich moet beperken in wat hij of zij wil zeggen, en kiest daarbij een mate van formaliteit die in de omstandigheden gepast is. |
Kan zo vloeiend en spontaan reageren dat een normale uitwisseling en langer durende betrekkingen met moedertaalsprekers mogelijk zijn zonder dat dit een van de partijen belast. Kan het persoonlijke belang van gebeurtenissen en ervaringen benadrukken, en zienswijzen helder verantwoorden en staande houden met relevante uitleg en argumenten. | |
| B1 | Kan met enig vertrouwen communiceren over vertrouwde alledaagse en niet-alledaagse zaken die betrekking hebben op zijn of haar belangstellings- en vakgebied. Kan informatie uitwisselen, controleren en bevestigen, omgaan met minder alledaagse situaties en uitleggen waarom iets een probleem is. Kan gedachten uitdrukken over meer abstracte, culturele onderwerpen zoals films, boeken, muziek, enzovoort. |
| Kan gebruikmaken van een breed scala van eenvoudige taal om zich te redden in de meeste situaties die op reis voorkomen. Kan onvoorbereid deelnemen aan een gesprek over vertrouwde onderwerpen, uiting geven aan persoonlijke meningen en informatie uitwisselen over onderwerpen die vertrouwd zijn, van persoonlijk belang zijn of betrekking hebben op het dagelijks leven (bijvoorbeeld familie, liefhebberijen/hobby's, werk, reizen en actualiteiten). | |
| A2 | Kan redelijk gemakkelijk interactief zijn in gestructureerde situaties en korte gesprekken, mits de ander helpt als dat nodig is. Kan eenvoudige routinegesprekken voeren zonder bovenmatige inspanning; kan vragen stellen en beantwoorden, en ideeën en informatie uitwisselen, over vertrouwde onderwerpen in voorspelbare alledaagse situaties. |
| Kan communiceren in simpele en alledaagse taken die een eenvoudige en directe informatie-uitwisseling vereisen over vertrouwde en alledaagse zaken die te maken hebben met werk en vrije tijd. Kan zeer korte sociale gesprekken voeren maar is zelden in staat genoeg te begrijpen om uit zichzelf de conversatie gaande te houden. | |
| A1 | Kan op een simpele manier interactief zijn maar de communicatie is volledig afhankelijk van herhaling in langzamer tempo, herformulering en herstel. Kan eenvoudige vragen stellen en beantwoorden, en eenvoudige uitspraken doen en beantwoorden op het gebied van primaire behoeften of over zeer vertrouwde onderwerpen. |
| EEN MOEDERTAALSPREKER ALS GESPREKSPARTNER BEGRIJPEN | |
| C2 | Kan iedere moedertaalspreker als gesprekspartner begrijpen, ook over abstracte en complexe onderwerpen van gespecialiseerde aard buiten het eigen vakgebied, mits in de gelegenheid om te wennen aan een afwijkend accent of dialect. |
| C1 | Kan tot in de details gesproken woord begrijpen over abstracte en complexe onderwerpen van gespecialiseerde aard buiten het eigen vakgebied, al moet hij of zij misschien af en toe een detail laten bevestigen, vooral wanneer het accent niet vertrouwd is. |
| B2 | Kan tot in de details begrijpen wat er tegen hem of haar gezegd wordt in gesproken standaardtaal, zelfs in een lawaaierige omgeving. |
| B1 | Kan helder uitgesproken spraak volgen die in alledaagse conversatie tot hem of haar gericht wordt, maar zal soms moeten vragen om herhaling van bepaalde woorden en frasen. |
| A2 | Kan genoeg begrijpen om eenvoudige routinegesprekken te voeren zonder bovenmatige inspanning. Kan over het algemeen heldere, tot hem of haar gerichte gesproken standaardtaal begrijpen over vertrouwde zaken, mits hij of zij af en toe om herhaling of herformulering kan vragen. |
| Kan begrijpen wat helder, langzaam en rechtstreeks tot hem of haar wordt gezegd in eenvoudige alledaagse conversatie; kan tot begrip worden gebracht als de spreker daarvoor de moeite neemt. | |
| A1 | Kan alledaagse uitdrukkingen begrijpen, gericht op de vervulling van eenvoudige behoeften van concrete aard, die rechtstreeks tot hem of haar worden gezegd in heldere, langzame en herhaalde bewoordingen door een sympathieke spreker. Kan zorgvuldig en langzaam tot hem of haar gerichte vragen en opdrachten verstaan en korte, eenvoudige aanwijzingen volgen. |
| CONVERSATIE | |
| C2 | Kan gemakkelijk en adequaat converseren, niet gehinderd door talige beperkingen bij het leiden van een volwaardig sociaal en persoonlijk leven. |
| C1 | Kan taal flexibel en doeltreffend gebruiken voor sociale doeleinden, met inbegrip van emotioneel, dubbelzinnig en humoristisch taalgebruik. |
| B2 | Kan een uitgebreide conversatie voeren over de meeste algemene onderwerpen op duidelijk participerende wijze, zelfs in een lawaaierige omgeving. Kan betrekkingen onderhouden met moedertaalsprekers zonder hen onbedoeld te amuseren of te irriteren en zonder hen te verplichten zich anders te gedragen dan zij tegenover een moedertaalspreker zouden doen. Kan gradaties van emotie overbrengen en het persoonlijke belang van gebeurtenissen en ervaringen benadrukken. |
| B1 | Kan onvoorbereid deelnemen aan gesprekken over vertrouwde onderwerpen. Kan helder uitgesproken spraak volgen die in alledaagse conversatie tot hem of haar gericht wordt, maar zal soms moeten vragen om herhaling van bepaalde woorden en frasen. Kan een conversatie of discussie onderhouden maar is soms moeilijk te volgen wanneer hij of zij precies probeert te zeggen wat hij of zij zou willen zeggen. Kan gevoelens van verrassing, geluk, verdriet, belangstelling, onverschilligheid, enzovoort, uitdrukken en beantwoorden. |
| Kan sociaal contact leggen: begroeten en afscheid nemen; voorstellen; bedanken. Kan over het algemeen heldere, tot hem of haar gerichte gesproken standaardtaal begrijpen over vertrouwde zaken, mits hij of zij af en toe om herhaling of herformulering kan vragen. Kan deelnemen aan korte gesprekken over belangwekkende onderwerpen in een alledaagse context. Kan in eenvoudige bewoordingen uitdrukken hoe hij of zij zich voelt en dank uitspreken. | |
| A2 | Kan zeer korte sociale gesprekken voeren maar is zelden in staat genoeg te begrijpen om uit zichzelf de conversatie gaande te houden, al kan hij of zij uiteindelijk wel begrijpen wat bedoeld wordt als de spreker daarvoor de moeite neemt. Kan eenvoudige alledaagse beleefdheidsvormen gebruiken om anderen te begroeten en aan te spreken. Kan uitnodigingen doen, suggesties opperen en verontschuldigingen aanbieden, en daarop reageren. Kan zeggen wat hij of zij leuk vindt en wat niet. |
| A1 | Kan zich voorstellen en elementaire uitdrukkingen ter begroeting en ten afscheid gebruiken. Kan vragen hoe het met mensen gaat en reageren op nieuws. Kan alledaagse uitdrukkingen begrijpen, gericht op de vervulling van eenvoudige behoeften van concrete aard, die rechtstreeks tot hem of haar worden gezegd in heldere, langzame en herhaalde bewoordingen door een sympathieke spreker. |
| INFORMELE DISCUSSIE (MET VRIENDEN) | |
| C2 | Als C1 |
| C1 | Kan met gemak complexe interacties van derden volgen en daaraan bijdragen in een groepsdiscussie of debat, zelfs als het gaat om abstracte, complexe en niet-vertrouwde onderwerpen. |
| Kan een levendige discussie tussen moedertaalsprekers volgen. Kan zijn of haar ideeën en meningen precies onder woorden brengen en op overtuigende wijze complexe redeneringen presenteren en beantwoorden. | |
| B2 | Kan actief deelnemen aan informele discussies in een vertrouwde context en daarbij commentaar geven, standpunten helder weergeven, alternatieve voorstellen beoordelen en hypothesen poneren en beantwoorden. Kan met enige inspanning veel opvangen van wat rondom hem of haar wordt gezegd in een discussie, maar vindt het soms moeilijk om effectief deel te nemen aan een discussie met verscheidene moedertaalsprekers die hun taal op geen enkele manier aanpassen. Kan zijn of haar meningen in een discussie verantwoorden en staande houden met ter zake doende verklaringen, argumenten en commentaren. |
| B1 | Kan veel volgen van wat rondom hem of haar wordt gezegd over algemene onderwerpen, mits de gesprekspartners zeer idiomatisch taalgebruik vermijden en helder articuleren. Kan zijn of haar gedachten tot uiting brengen over abstracte of culturele onderwerpen zoals muziek en films. Kan uitleggen waarom iets een probleem is. Kan beknopt commentaar geven op de gezichtspunten van anderen. Kan alternatieven vergelijken en tegenover elkaar stellen, bespreken wat er gedaan moet worden, welke richting moet worden ingeslagen, wie of wat moet worden gekozen, enzovoort. |
| Kan over het algemeen de hoofdpunten volgen van een informele discussie met vrienden, mits er duidelijk wordt gearticuleerd in standaardtaal. Kan persoonlijke zienswijzen en meningen geven of vragen in discussies over belangwekkende onderwerpen. Kan zijn of haar meningen en reacties overbrengen met betrekking tot oplossingen voor problemen of praktische vragen, bijvoorbeeld rond de organisatie van een uitstapje (waarheen? wat gaan we doen? hoe komen we daar?). Kan op beleefde wijze een overtuiging, een mening, instemming en afkeuring uitdrukken. | |
| A2 | Kan over het algemeen het onderwerp herkennen van de discussie rondom hem of haar, mits deze langzaam en duidelijk wordt gevoerd. Kan bespreken wat men 's avonds of in het weekeinde gaat doen. Kan suggesties doen en beantwoorden. Kan het eens zijn en van mening verschillen met anderen. |
| Kan op eenvoudige wijze alledaagse praktische zaken bespreken wanneer hij of zij helder, langzaam en rechtstreeks wordt aangesproken. Kan bespreken wat men gaat doen, waar men heen gaat en afspraken maken voor een ontmoeting. | |
| A1 | Geen descriptoren beschikbaar |
| FORMELE DISCUSSIES EN BIJEENKOMSTEN | |
| C2 | Kan zich handhaven in een formele discussie over complexe zaken, en daarbij uitgesproken en overtuigende argumenten geven, zonder in het nadeel te zijn ten opzichte van moedertaalsprekers. |
| C1 | Kan het debat gemakkelijk bijhouden, zelfs over abstracte, complexe en niet-vertrouwde onderwerpen. Kan een formeel standpunt overtuigend beargumenteren, daarbij ingaan op vragen en opmerkingen, en complexe tegenargumenten vloeiend, spontaan en correct beantwoorden. |
| B2 | Kan een geanimeerde discussie bijhouden en nauwkeurig argumenten voor en tegen bepaalde standpunten herkennen. Kan zijn of haar ideeën en meningen precies onder woorden brengen en op overtuigende wijze complexe redeneringen presenteren en beantwoorden. |
| Kan actief deelnemen aan alledaagse en niet-alledaagse formele discussies. Kan de discussie volgen over zaken met betrekking tot zijn of haar vakgebied en tot in details de punten begrijpen die van de spreker de meeste nadruk krijgen. Kan zijn of haar mening bijdragen, verantwoorden en staande houden, alternatieve voorstellen beoordelen en hypothesen stellen en beantwoorden. | |
| B1 | Kan veel volgen van wat wordt gezegd met betrekking tot zijn of haar vakgebied, mits de gesprekspartners zeer idiomatisch taalgebruik vermijden en helder articuleren. Kan een standpunt helder overbrengen, maar heeft er moeite mee om in debat te gaan. Kan deelnemen aan een alledaagse formele discussie over vertrouwde onderwerpen die wordt gevoerd in een helder uitgesproken standaarddialect en die gaat om de uitwisseling van feitelijke informatie, het ontvangen van aanwijzingen of het bespreken van oplossingen voor praktische problemen. |
| A2 | Kan over het algemeen veranderingen van onderwerp volgen in formele discussies die betrekking hebben op zijn of haar vakgebied wanneer deze langzaam en helder gevoerd worden. Kan relevante informatie uitwisselen en zijn of haar mening geven over praktische problemen wanneer dat rechtstreeks gevraagd wordt, mits hij of zij enige hulp krijgt bij het formuleren en indien nodig om herhaling van belangrijke punten kan vragen. |
| Kan zeggen wat hij of zij van zaken vindt wanneer hij of zij rechtstreeks wordt aangesproken op een formele bijeenkomst, mits hij of zij indien nodig om herhaling van belangrijke punten kan vragen. | |
| A1 | Geen descriptor beschikbaar |
N.B. De descriptoren op deze subschaal zijn niet geijkt met het meetmodel op basis van empirische gegevens.
| DOELGERICHTE SAMENWERKING (bijvoorbeeld een auto repareren, een document bespreken, een evenement organiseren) | |
| C2 | Als B2 |
| C1 | Als B2 |
| B2 | Kan gedetailleerde aanwijzingen zeker begrijpen. Kan de voortgang van het werk bespoedigen door anderen te vragen mee te doen, te zeggen wat zij ervan vinden, enzovoort. Kan een zaak of probleem helder schetsen, speculeren over oorzaken of gevolgen, en voor- en nadelen van verschillende benaderingen afwegen. |
| Kan volgen wat er gezegd wordt, al moet hij of zij soms vragen om herhaling of verduidelijking indien anderen snel of uitvoerig spreken. Kan uitleggen waarom iets een probleem is, bespreken wat er vervolgens moet gebeuren, alternatieven vergelijken en tegenover elkaar stellen. Kan beknopt commentaar geven op de gezichtspunten van anderen. | |
| B1 | Kan over het algemeen volgen wat er gezegd wordt en indien nodig een gedeelte herhalen van wat iemand gezegd heeft om wederzijds begrip te bevestigen. Kan zijn of haar meningen en reacties overbrengen met betrekking tot mogelijke oplossingen of de vraag wat er vervolgens moet gebeuren, en daarbij beknopte redenen en verklaringen geven. Kan anderen uitnodigen hun zienswijze te geven op de manier om verder te gaan. |
| Kan genoeg begrijpen om eenvoudige routinetaken uit te voeren zonder bovenmatige inspanning, en daarbij heel eenvoudig om herhaling vragen wanneer hij of zij iets niet begrepen heeft. Kan bespreken wat er vervolgens moet gebeuren, daarbij suggesties doen en beantwoorden, en aanwijzingen vragen en geven. | |
| A2 | Kan aangeven wanneer hij of zij de discussie wel en niet kan volgen en kan zich laten uitleggen wat noodzakelijk is, indien de spreker daarvoor de moeite neemt. Kan communiceren over eenvoudige en alledaagse taken met eenvoudige frasen om dingen te vragen en te verschaffen, eenvoudige informatie te verkrijgen en te bespreken wat er vervolgens moet gebeuren. |
| A1 | Kan zorgvuldig en langzaam tot hem of haar gerichte vragen en opdrachten verstaan en korte, eenvoudige aanwijzingen volgen. Kan mensen om dingen vragen en dingen aan mensen geven. |
| TRANSACTIES TER VERKRIJGING VAN GOEDEREN EN DIENSTEN | |
| C2 | Als B2 |
| C1 | Als B2 |
| B2 | Kan zich talig redden om een oplossing te bereiken voor een meningsverschil, bijvoorbeeld over een onverdiende verkeersboete, financiële aansprakelijkheid voor schade aan een woning of de schuldvraag na een ongeval. Kan argumenten geven voor schadevergoeding, overredende taal gebruiken om genoegdoening te eisen en helder aangeven wat de grenzen zijn van eventuele concessies waartoe hij of zij bereid is. |
| Kan een probleem uitleggen en duidelijk maken dat de dienstverlener of de klant een concessie zal moeten doen. | |
| B1 | Kan de meeste transacties uitvoeren die kunnen optreden tijdens reizen, bij het regelen van vervoer of onderdak of in contacten met gezagsdragers tijdens een buitenlands bezoek. Kan zich redden in minder alledaagse situaties in winkels, postkantoren en banken, bijvoorbeeld bij het terugbrengen van een miskoop. Kan een klacht indienen. Kan omgaan met de meeste situaties die kunnen optreden wanneer hij of zij een reis boekt bij een reisagent of tijdens het reizen zelf, bijvoorbeeld wanneer hij of zij aan een medereiziger vraagt waar moet worden uitgestapt voor een minder voor de hand liggende bestemming. |
| Kan omgaan met gewone aspecten van het dagelijks leven zoals reizen, verblijven, eten en winkelen. Kan alle noodzakelijke informatie verkrijgen van en toeristenbureau, mits van een heldere, niet-specialistische aard. | |
| Kan alledaagse goederen en diensten aanvragen en verschaffen. | |
| A2 | Kan eenvoudige inlichtingen verkrijgen over reismogelijkheden; gebruikmaken van openbaar vervoer: trein, tram, bus en taxi; de weg vragen en wijzen; kaartjes kopen. Kan dingen vragen en eenvoudige transacties doen in winkels, postkantoren of banken |
| Kan inlichtingen geven en ontvangen over hoeveelheden, aantallen, prijzen, enzovoort. Kan eenvoudige aankopen doen door te zeggen wat hij of zij wil en de prijs te vragen. Kan een maaltijd bestellen. | |
| A1 | Kan mensen om dingen vragen en dingen aan mensen geven. Kan overweg met aantallen, hoeveelheden, kosten en tijden. |
| INFORMATIE-UITWISSELING | |
| C2 | Als B2 |
| C1 | Als B2 |
| Kan complexe informatie uitwisselen en advies geven over alle zaken die verband houden met zijn of haar beroepstaken. | |
| B2 | Kan gedetailleerde informatie betrouwbaar doorgeven. Kan helder en gedetailleerd beschrijven hoe een procedure moet worden uitgevoerd. Kan informatie en argumenten uit verschillende bronnen bijeenvoegen en rapporteren. |
| B1 | Kan met enig vertrouwen verzamelde feitelijke informatie over vertrouwde alledaagse en niet-alledaagse zaken binnen zijn of haar vakgebied uitwisselen, controleren en bevestigen. Kan beschrijven hoe iets gedaan moet worden, met gedetailleerde aanwijzingen. Kan een kort verhaal, artikel, lezing, discussie, vraaggesprek of documentaire samenvatten, er zijn of haar mening over geven en nadere vragen over details beantwoorden. |
| Kan direct feitelijke informatie ontdekken en doorgeven. Kan gedetailleerde richtingaanwijzingen vragen en opvolgen. Kan meer gedetailleerde informatie verkrijgen. | |
| A2 | Kan genoeg begrijpen om eenvoudige routinegesprekken te voeren zonder bovenmatige inspanning. Kan met praktische alledaagse eisen omgaan: directe feitelijke informatie achterhalen en doorgeven. Kan vragen stellen en beantwoorden over gewoonten en routines. Kan vragen stellen en beantwoorden over tijdverdrijf en vroegere activiteiten. Kan korte, eenvoudige opdrachten en aanwijzingen geven, bijvoorbeeld uitleggen hoe men ergens kan komen. |
| Kan communiceren over eenvoudige en alledaagse taken waarvoor een eenvoudige en directe uitwisseling van informatie vereist is. Kan beperkte informatie uitwisselen over vertrouwde en alledaagse bedrijfsmatige zaken. Kan vragen stellen en beantwoorden over wat men op het werk en in de vrije tijd doet. Kan richtingaanwijzingen vragen en geven onder verwijzing naar een kaart of plattegrond. Kan persoonlijke informatie vragen en verschaffen. | |
| A1 | Kan zorgvuldig en langzaam tot hem of haar gerichte vragen en opdrachten verstaan en korte, eenvoudige aanwijzingen volgen. Kan eenvoudige vragen stellen en beantwoorden, en eenvoudige uitspraken doen en beantwoorden op het gebied van primaire behoeften of over zeer vertrouwde onderwerpen. Kan vragen beantwoorden en stellen over zichzelf en over anderen, waar zij wonen, wie zij kennen, wat zij bezitten. Kan de tijd aangeven met frasen als 'volgende week', 'afgelopen vrijdag', 'in november', 'om drie uur'. |
| INTERVIEWEN EN GEÏNTERVIEWD WORDEN | |
| C2 |
Kan zijn of haar aandeel in de dialoog bijzonder goed volhouden, het gesprek structureren en heel vlot en met kennis van zaken converseren als vragensteller of geïnterviewde, zonder enig nadeel ten opzichte van een moedertaalspreker. |
| C1 |
Kan volwaardig aan een vraaggesprek deelnemen als vragensteller of ondervraagde, het punt van discussie vloeiend uitwerken zonder ondersteuning, en opmerkingen tussendoor goed afhandelen. |
| B2 |
Kan een doeltreffend, vloeiend vraaggesprek voeren, daarbij spontaan afwijken van voorbereide vragen en ingaan op belangwekkende antwoorden. |
| Kan initiatief nemen in een vraaggesprek en ideeën uitwerken en ontwikkelen zonder veel hulp of aansporing van een vragensteller. | |
| B1 |
Kan concrete informatie verschaffen waarnaar in een vraaggesprek of consult gevraagd wordt (bijvoorbeeld ziekteverschijnselen beschrijven aan een arts), maar doet dit met beperkte nauwkeurigheid. Kan een voorbereid vraaggesprek voeren en daarbij informatie controleren en bevestigen, al moet hij of zij zo nu en dan om herhaling vragen als de ander snel of uitvoerig antwoordt. |
Kan enig initiatief nemen in een vraaggesprek of consult (bijvoorbeeld om een nieuw onderwerp te berde te brengen) maar is in de interactie erg afhankelijk van de vragensteller. Kan een voorbereide vragenlijst gebruiken om een gestructureerd vraaggesprek te voeren met enige spontane vervolgvragen. | |
| A2 |
Kan zich begrijpelijk maken in een vraaggesprek en ideeën en informatie over vertrouwde onderwerpen overbrengen, mits hij of zij zo nu en dan om opheldering kan vragen en enigszins wordt geholpen bij het onder woorden brengen van wat hij of zij wil zeggen. |
| Kan in een vraaggesprek eenvoudige vragen beantwoorden en reageren op eenvoudige uitspraken. | |
| A1 |
Kan in een vraaggesprek antwoord geven op eenvoudige rechtstreekse vragen over persoonlijke gegevens die zeer langzaam en helder worden uitgesproken in directe niet-idiomatische taal. |
4.4.3.2 Schriftelijke interactie
Interactie door middel van geschreven taal betreft activiteiten zoals:
4.4.3.3 Bij directe persoonlijke interactie kan natuurlijk sprake zijn van gemengde media: mondeling, schriftelijk, audiovisueel, paralinguïstisch (zie paragraaf 4.4.5.2) en paratekstueel (zie 4.4.5.3).
4.4.3.4 Met de voortschrijdende verfijning van computersoftware speelt interactieve communicatie tussen mens en machine een steeds belangrijker rol in het publieke, het professionele, het educatieve en zelfs het persoonlijke domein.
Hierna worden de volgende toelichtende schalen weergegeven:
| ALGEMENE SCHRIFTELIJKE INTERACTIE | |
| C2 | Als C1 |
| C1 | Kan zich helder en precies uitdrukken, en daarbij flexibel en doeltreffend een verband leggen met de geadresseerde. |
| B2 | Kan nieuws en zienswijzen doeltreffend schriftelijk uitdrukken en een verband leggen met de visies van anderen. |
| B1 | Kan informatie en ideeën overbrengen over abstracte en concrete onderwerpen, informatie controleren en met redelijke nauwkeurigheid vragen naar problemen of deze uitleggen. |
| Kan persoonlijke brieven en notities schrijven om eenvoudige informatie van direct belang op te vragen of te geven, en daarbij overbrengen wat hij of zij het belangrijkste punt vindt. | |
| A2 | Kan korte, eenvoudige gestandaardiseerde notities schrijven over zaken die direct nodig zijn. |
| A1 | Kan in schriftelijke vorm persoonlijke gegevens opvragen of doorgeven. |
| CORRESPONDENTIE | |
| C2 | Als C1 |
| C1 | Kan zich helder en precies uitdrukken in persoonlijke correspondentie en daarbij de taal flexibel en doeltreffend gebruiken, met inbegrip van emotioneel, dubbelzinnig en humoristisch taalgebruik. |
| B2 | Kan brieven schrijven waaruit gradaties van emotie spreken, waarin het persoonlijke belang van gebeurtenissen en ervaringen wordt benadrukt en die commentaar geven op het nieuws en de visies van de geadresseerde. |
| B1 | Kan persoonlijke brieven schrijven waarin nieuws wordt overgebracht en gedachten over abstracte of culturele onderwerpen worden uitgedrukt, zoals muziek en films. |
| Kan persoonlijke brieven schrijven waarin ervaringen, gevoelens en gebeurtenissen enigszins gedetailleerd worden beschreven. | |
| A2 | Kan zeer eenvoudige persoonlijke brieven schrijven waarin dank wordt uitgesproken of verontschuldigingen worden aangeboden. |
| A1 | Kan een korte, eenvoudige briefkaart schrijven. |
| NOTITIES, BERICHTEN EN FORMULIEREN | |
| C2 | Als B1 |
| C1 | Als B1 |
| B2 | Als B1 |
| Kan berichten aannemen waarin inlichtingen worden gegeven of problemen worden uitgelegd. | |
| B1 | Kan notities schrijven die eenvoudige informatie bevatten die van direct belang is voor vrienden, dienstverleners, onderwijzers, en daarbij begrijpelijk de punten overbrengen waarvan hij of zij vindt dat ze belangrijk zijn. |
| A2 | Kan een kort, eenvoudig bericht aannemen, mits hij of zij om herhaling en herformulering kan vragen. Kan korte, eenvoudige notities en berichten schrijven die gaan over zaken die direct nodig zijn. |
| A1 | Kan getallen en data, de eigen naam, nationaliteit, adres, leeftijd, geboorte- of aankomstdatum en dergelijke opschrijven, bijvoorbeeld op een incheckformulier in een hotel. |
Interactie omvat niet alleen activiteiten die kenmerkend zijn voor de constructie van gezamenlijk taalgebruik, maar ook receptieve en productieve activiteiten. Daarom spelen alle voornoemde receptie- en productiestrategieën ook een rol bij interactie. Echter, het feit dat mondelinge interactie met zich meebrengt dat collectief betekenis wordt gegeven door de vaststelling van enige mate van gemeenschappelijke mentale context, waarin wordt gedefinieerd wat als gegeven wordt aangenomen, waarin men doorkrijgt waar mensen vandaan komen, waarin men naar elkaar toe groeit of juist een comfortabele afstand aanhoudt, gewoonlijk onvertraagd, betekent dat er naast receptieve en productieve strategieën ook een categorie strategieën bestaat die uitsluitend bij interactie voorkomen en gericht zijn op de beheersing van het proces. Bovendien leidt het feit dat interactie voornamelijk in rechtstreeks contact plaatsvindt, vaak tot veel grotere redundantie, zowel in tekstueel als linguïstisch opzicht als met betrekking tot paralinguïstische kenmerken en contextuele aanwijzingen, die alle meer of minder uitgewerkt kunnen worden en meer of minder expliciet kunnen zijn voor zover de voortdurende registratie van het proces door de deelnemers aangeeft dat dit toepasselijk is.
Het plannen van mondelinge interactie betekent de activering van schemata of van een 'praxeogram'
(een diagram dat de structuur van een communicatieve interactie weergeeft) van de mogelijke en waarschijnlijke uitwisselingen in de komende activiteit (inkaderen) en het overwegen van de communicatieve afstand tot andere gesprekspartners (kloof tussen informatie/meningen identificeren; beoordelen wat als gegeven kan worden aangenomen) om te besluiten over keuzemogelijkheden en mogelijke stappen in de uitwisseling voor te bereiden (stappen plannen). Tijdens de activiteit zelf kiezen taalgebruikers strategieën ter verdeling van beurten om het initiatief te nemen in het gesprek (het woord nemen), om de samenwerking in de taak te versterken en de discussie op koers te houden (samenwerken: interpersoonlijk), om het wederzijdse begrip te bevorderen en de aandacht gericht te houden op de onderhanden taak (samenwerking: ideationeel), en opdat zij zelf om hulp kunnen vragen bij het formuleren van iets (om hulp vragen). Net als de planning speelt de evaluatie zich af op communicatieniveau: beoordelen of de van toepassing geachte schemata 'passen' en wat er in werkelijkheid gebeurt (monitoren: schemata, praxeogram) alsmede de mate waarin de zaken verlopen zoals men wil (monitoren: effect, succes); onbegrip of ontoelaatbare dubbelzinnigheid leidt tot verzoeken om opheldering op communicatief of linguïstisch niveau (opheldering vragen en geven) en tot actief ingrijpen om de communicatie te herstellen en indien nodig misverstanden uit de weg te ruimen (communicatieherstel).
Planning
Uitvoering
Evaluatie
Herstel
Hierna worden de volgende toelichtende schalen weergegeven:
| HET WOORD NEMEN (DE BEURT NEMEN) | |
| C2 | Als C1 |
| C1 | Kan een toepasselijke frase kiezen uit een paraat scala van gespreksfuncties om zijn of haar opmerkingen zo in te leiden dat de aandacht van de toehoorders wordt getrokken, of om tijd te winnen en de aandacht vast te houden tijdens het nadenken. |
| B2 | Kan op toepasselijke wijze ingrijpen in een discussie en daarvoor de juiste taal gebruiken. Kan op gepaste wijze een gesprek beginnen, onderhouden en beëindigen, en daarbij doeltreffend beurten nemen. Kan een gesprek beginnen, op de juiste ogenblikken zijn of haar beurt nemen en de conversatie beëindigen wanneer dat nodig is, zij het niet altijd op elegante wijze. Kan standaardzinnen gebruiken (bijvoorbeeld 'Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag') om tijd te winnen en de beurt te behouden tijdens het zoeken naar woorden. |
| Kan ingrijpen in een discussie over een vertrouwd onderwerp en de juiste frase gebruiken om aan het woord te komen. | |
| B1 | Kan een eenvoudig rechtstreeks gesprek beginnen, gaande houden en beëindigen over onderwerpen die vertrouwd of van persoonlijk belang zijn. |
| A2 | Kan eenvoudige technieken toepassen om een kort gesprek te beginnen, gaande te houden of te beëindigen. Kan een eenvoudig rechtstreeks gesprek beginnen, gaande houden en beëindigen. |
| Kan om aandacht vragen. | |
| A1 | Geen descriptor beschikbaar |
| SAMENWERKEN | |
| C2 | Als C1 |
| C1 | Kan eigen bijdragen vaardig in verband brengen met die van andere sprekers. |
| B2 | Kan uitspraken en gevolgtrekkingen van feedback of opvolging voorzien en daarmee de ontwikkeling van de discussie helpen. |
| Kan discussies over vertrouwde onderwerpen op gang helpen en houden door te bevestigen dat iets begrepen is, anderen uit te nodigen het woord te nemen, enzovoort. | |
| B1 | Kan een elementair taalrepertoire en strategieën benutten om een gesprek of discussie gaande te houden. Kan samenvatten op welk punt een discussie is beland en zo helpen het gesprek te focussen. |
| Kan gedeeltelijk herhalen wat iemand anders heeft gezegd om wederzijds begrip te bevestigen en te helpen de ontwikkeling van ideeën op koers te houden. Kan anderen uitnodigen aan de discussie deel te nemen. | |
| A2 | Kan aangeven wanneer hij of zij het gesprek kan volgen. |
| A1 | Geen descriptor beschikbaar |
| VRAGEN OM OPHELDERING | |
| C2 | Als B2 |
| C1 | Als B2 |
| B2 | Kan vervolgvragen stellen om te controleren of hij of zij heeft begrepen wat een spreker wilde zeggen en om opheldering te krijgen over punten van dubbelzinnigheid. |
| B1 | Kan anderen vragen te verhelderen of uit te werken wat zij zojuist gezegd hebben. |
| A2 | Kan heel eenvoudig om herhaling vragen wanneer hij of zij iets niet begrijpt. Kan met standaardzinnen om opheldering vragen over sleutelwoorden of -frasen die niet zijn begrepen. |
| Kan zeggen dat hij of zij iets niet heeft kunnen volgen. | |
| A1 | Geen descriptor beschikbaar |