Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

4.5 Communicatieve taalprocessen

Om als spreker, schrijver, luisteraar of lezer te kunnen optreden, moet de leerder in staat zijn een bepaalde reeks handelingen vaardig uit te voeren.

Om te spreken moet de leerder:

  • een boodschap kunnen plannen en organiseren (cognitieve vaardigheden);
  • een talige uiting kunnen formuleren (linguïstische vaardigheden);
  • de uiting kunnen uitspreken (fonetische vaardigheden).

Om te schrijven moet de leerder:

  • de boodschap kunnen organiseren en formuleren (cognitieve en linguïstische vaardigheden);
  • de tekst kunnen opschrijven of typen (handmatige vaardigheden), of anderszins op schrift kunnen stellen.

Om te luisteren moet de leerder:

  • de uiting kunnen waarnemen (auditieve fonetische vaardigheden);
  • de talige boodschap kunnen herkennen (linguïstische vaardigheden);
  • de boodschap kunnen begrijpen (semantische vaardigheden);
  • de boodschap kunnen interpreteren (cognitieve vaardigheden).

Om te lezen moet de leerder:

  • de geschreven tekst kunnen waarnemen (visuele vaardigheden);
  • het schrift kunnen ontcijferen (orthografische vaardigheden);
  • de boodschap kunnen herkennen (linguïstische vaardigheden);
  • de boodschap kunnen begrijpen (semantische vaardigheden);
  • de boodschap kunnen interpreteren (cognitieve vaardigheden).

In de waarneembare fasen van deze processen bestaat een goed inzicht. Andere – die zich afspelen in het centrale zenuwstelsel – worden minder goed begrepen. De volgende analyse is slechts bedoeld om enige onderdelen van het proces aan te duiden die relevant zijn voor de ontwikkeling van taalvaardigheid.

4.5.1 Planning

Planning behelst de selectie, onderlinge samenhang en coördinatie van onderdelen van algemene en communicatieve taalcompetenties (zie hoofdstuk 5) die bij de communicatiegebeurtenis moeten worden ingezet om de communicatieve bedoelingen van de taalgebruiker/leerder te realiseren.

4.5.2 Uitvoering

4.5.2.1 Productie

Bij het productieproces zijn twee onderdelen betrokken:

Het onderdeel formulering ontvangt de uitvoer van de planning en giet deze in een talige vorm. Hierbij draait het om lexicale, grammaticale, fonologische (en in het geval van schrijven ook orthografische) processen die kunnen worden onderscheiden en (bijvoorbeeld in gevallen van dysfasie) enigszins onafhankelijk van elkaar werken, maar waarvan de exacte onderlinge samenhang niet helemaal bekend is.

Het onderdeel uitspraak regelt de motorische prikkeling van het vocaal apparaat dat de uitvoer van de fonologische processen omzet in gecoördineerde bewegingen van de spreekorganen die een aaneenschakeling van geluidsgolven voortbrengen die de gesproken taaluiting vormen, of de motorische prikkeling van de handspieren om handgeschreven of getypte tekst voort te brengen.

4.5.2.2 Receptie

Het receptieproces bestaat uit vier stappen die, hoewel ze in lineaire volgorde (van beneden naar boven) plaatsvinden, voortdurend worden aangepast en geherinterpreteerd (van boven naar beneden) in het licht van kennis van de wereld, schematische verwachtingen en nieuw tekstbegrip, in een onderbewust interactief proces.

  • de waarneming van gesproken en geschreven taal: herkenning van geluiden/tekens en woorden (in handschrift en druk);
  • de herkenning van de gehele of gedeeltelijke tekst als relevant;
  • het semantische en cognitieve begrip van de tekst als talige eenheid;
  • de interpretatie van de boodschap in de context.

De betrokken vaardigheden zijn:

  • waarnemen;
  • geheugen;
  • decoderen;
  • afleiden;
  • voorspellen;
  • verbeelding;
  • snel scannen;
  • terug en vooruit verwijzen.

Het begrip, vooral van geschreven teksten, kan worden bevorderd door het juiste gebruik van hulpmiddelen, waaronder naslagwerken zoals:

  • woordenboeken (eentalig en tweetalig);
  • thesauri;
  • uitspraakwoordenboeken;
  • elektronische hulpmiddelen zoals woordenboeken, grammatica- en spellingcontrole;
  • grammaticaboeken.

4.5.2.3 Interactie

De processen die betrokken zijn bij mondelinge interactie verschillen in een aantal opzichten van een simpele opeenvolging van spreek- en luisteractiviteiten:

  • Productieve en receptieve processen overlappen elkaar. Terwijl de – nog onvolledige – uiting van diens gesprekspartner wordt verwerkt, begint de planning voor de reactie van de taalgebruiker – op basis van een hypothese over de aard, betekenis en interpretatie van het ontvangene.
  • De gespreksopbouw is cumulatief. Naarmate een interactie voortschrijdt, naderen de deelnemers elkaar in hun interpretatie van de situatie, de ontwikkeling van verwachtingen en de nadruk op relevante zaken. Deze processen worden weerspiegeld in de vorm van de voortgebrachte taaluitingen.

Bij schriftelijke interactie (bijvoorbeeld correspondentie per brief, fax, e-mail, enz.) blijven de processen van receptie en productie gescheiden (hoewel elektronische interactie, bijvoorbeeld via internet, onvertraagde interactie steeds meer benadert). De effecten van cumulatieve schriftelijke discourse zijn vergelijkbaar met die van mondelinge interactie.

4.5.3 Monitoren

De strategische component houdt zich bezig met het actualiseren van mentale activiteiten en competenties tijdens de communicatie. Dit geldt zowel voor het productieve als voor het receptieve proces. Een belangrijke factor bij de beheersing van de productieve processen is de feedback die de spreker/schrijver in elke fase ontvangt: op de formulering, de uitspraak en de akoestiek.

In bredere zin heeft de strategische component ook betrekking op het monitoren van het voortschrijdende communicatieve proces en op manieren om dat proces dienovereenkomstig te beheersen, bijvoorbeeld:

  • omgaan met het onbekende, zoals veranderingen van domein, thema, schema, enzovoort;
  • omgaan met het afbreken van de communicatie tijdens interactie of productie als gevolg van factoren zoals geheugenuitval;
  • tekortschietende communicatieve competentie opvangen door gebruik te maken van compensatiestrategieën als herstructureren, omschrijven, vervangen, hulp vragen;
  • omgaan met misverstanden en interpretatiefouten (door te vragen om opheldering);
  • omgaan met versprekingen en luisterfouten (door toepassing van herstelstrategieën).

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • in welke mate welke vaardigheden vereist zijn voor de bevredigende uitvoering van de communicatieve taken die de leerder geacht wordt op zich te nemen,
  • welke vaardigheden mogen worden voorondersteld en welke zullen moeten worden ontwikkeld;
  • welke naslagmiddelen de leerder doeltreffend zal moeten kunnen gebruiken.