Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

5.1 Algemene competenties

5.1.1 Declaratieve kennis (savoir)

5.1.1.1 Kennis van de wereld

Volwassenen beschikken over een hoogontwikkeld en verfijnd model van de wereld en hoe die werkt, dat nauw samenhangt met de woordenschat en grammatica van hun moedertaal. Sterker nog, het model en de moedertaal ontwikkelen zich in verhouding tot elkaar. Met de vraag 'Wat is dat?' kan worden geïnformeerd naar de naam van een voor het eerst waargenomen verschijnsel, maar ook naar de betekenis (referentie) van een nieuw woord. De elementaire kenmerken van dit model komen volledig tot ontwikkeling in de vroege kindertijd. Het model wordt verder ontwikkeld door onderwijs en ervaring tijdens de rest van het leven. Communicatie is afhankelijk van de overeenstemming tussen de modellen van de wereld en van de taal die de deelnemers zich eigen hebben gemaakt. Een van de doelstellingen van wetenschappelijk onderzoek is de structuur en werking van het universum te ontdekken en een standaardterminologie te verschaffen voor de beschrijving ervan. Alledaagse taal heeft zich op meer organische wijze ontwikkeld en de verhouding tussen vorm- en betekeniscategorieën verschilt enigszins van taal tot taal, zij het binnen vrij smalle marges die worden bepaald door de feitelijke aard van de werkelijkheid. De afwijking is bij sociale aspecten groter dan met betrekking tot de fysieke omgeving, hoewel talen ook op dat gebied natuurverschijnselen in hoge mate onderscheiden in verband met hun betekenis voor het leven binnen de gemeenschap. Bij het onderwijzen van tweede en vreemde talen kan er meestal van worden uitgegaan dat leerders voor dat doel voldoende kennis van de wereld hebben verworven. Toch is dit zeker niet altijd het geval (zie 2.1.1).

Kennis van de wereld omvat, ongeacht of deze afkomstig is uit ervaring, onderwijs of bronnen van informatie:

  • De plaatsen, instellingen en organisaties, personen, dingen, gebeurtenissen, processen en activiteiten in verschillende domeinen zoals toegelicht in tabel 5 (paragraaf 4.1.2). Van aanzienlijk belang voor iemand die een bepaalde taal leert, is feitelijke kennis over het land of de landen waar de taal wordt gesproken, bijvoorbeeld van de belangrijkste topografische, landschappelijke, demografische, economische en politieke aspecten.
  • Entiteitsklassen (concreet/abstract, levend/niet levend, enz.) en hun eigenschappen en betrekkingen (in tijd en ruimte, associatief, analytisch, logisch, oorzakelijk, enz.), zoals bijvoorbeeld beschreven in Threshold Level 1990, hoofdstuk 6.

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • welke kennis van de wereld de taalleerder zou moeten bezitten;

  • welke nieuwe kennis van de wereld, in het bijzonder met betrekking tot de landen waar de taal wordt gesproken, de leerder tijdens het leren van de taal zal moeten verwerven.

5.1.1.2 Sociaal-culturele kennis

Strikt genomen is kennis van de maatschappij en cultuur van de gemeenschap waarin een taal wordt gesproken, ook een aspect van kennis van de wereld. Toch is sociaal-culturele kennis zo belangrijk voor de taalleerder dat zij speciale aandacht verdient, vooral omdat deze kennis, in tegenstelling tot andere aspecten, waarschijnlijk buiten de bestaande ervaring van de leerder valt en vervormd kan zijn door stereotypen.

Aspecten die kenmerkend kunnen zijn voor een bepaalde Europese samenleving en cultuur hebben bijvoorbeeld betrekking op:

1. Dagelijks leven, bijvoorbeeld:

  • eten en drinken, etenstijden, tafelmanieren;
  • algemene feestdagen;
  • werktijden en -gewoonten;
  • vrijetijdsbesteding (hobby's, sport, leesgewoonten, media).

2. Leefomstandigheden, bijvoorbeeld:

  • levensstandaard (met verschillen naar regio, maatschappelijke klasse en etnische achtergrond);
  • woonomstandigheden;
  • sociale voorzieningen.

3. Interpersoonlijke verhoudingen (met inbegrip van machts- en solidariteitsverhoudingen), bijvoorbeeld met betrekking tot:

  • de klassenstructuur van de maatschappij en de verhoudingen tussen de verschillende klassen;
  • de verhoudingen tussen de seksen (geslachtsgebonden identiteit, intimiteit);
  • gezinsstructuren en familieverhoudingen;
  • de verhoudingen tussen leeftijdsgroepen;
  • de verhoudingen in beroepssituaties;
  • de verhoudingen tussen het publiek en de politie, ambtenaren en dergelijke;
  • de verhoudingen tussen verschillende rassen en gemeenschappen;
  • de verhoudingen tussen politieke en religieuze groeperingen.

4. Waarden, overtuigingen en houdingen met betrekking tot factoren als:

  • maatschappelijke klasse;
  • beroepsgroepen (academisch, management, overheid, geschoold en ongeschoold;
  • rijkdom (verdiend en geërfd);
  • regionale culturen;
  • veiligheid;
  • instellingen;
  • traditie en sociale verandering;
  • geschiedenis, in het bijzonder tot de historische canon gerekende personages en gebeurtenissen;
  • minderheden (etnisch en/of godsdienstig);
  • nationale identiteit;
  • andere landen, staten, volkeren;
  • politiek;
  • kunst (muziek, beeldende kunst, literatuur, drama, volksmuziek en zang);
  • godsdienst;
  • humor.

5. Lichaamstaal (zie paragraaf 4.4.5). Kennis van de conventies over lichaamstaalgedrag maken deel uit van de sociaal-culturele competentie van de gebruiker/leerder.

6. Sociale conventies, bijvoorbeeld over het aanbieden en ontvangen van gastvrijheid, zoals:

  • punctualiteit;
  • geschenken;
  • kleding;
  • consumpties, drankjes, maaltijden;
  • gedrags- en gespreksconventies, taboes;
  • verblijfsduur;
  • afscheid nemen.

7. Ritueel gedrag op gebieden zoals:

  • religieuze plechtigheden en riten;
  • geboorte, huwelijk, overlijden;
  • het gedrag van publiek en toeschouwers bij openbare uitvoeringen en ceremonies;
  • vieringen, festivals, dansfeesten, disco's, enz..

5.1.1.3 Intercultureel bewustzijn

Kennis, bewustzijn en begrip van de verhouding (overeenkomsten en verschillen) tussen de 'wereld van oorsprong' en de 'wereld van de doelgemeenschap' leiden tot intercultureel bewustzijn. Het is van belang om op te merken dat intercultureel bewustzijn zich uiteraard uitstrekt tot een bewustzijn van de regionale en sociale diversiteit in beide werelden. Ook omvat het een bewustzijn van een breder cultuurbereik dan alleen de culturen die worden gedragen door de T1 en T2 van de leerder. Dit bredere bewustzijn helpt beide culturen in een context te plaatsen. Naast objectieve kennis houdt intercultureel bewustzijn ook in dat men zich bewust is van de manier waarop elk van beide gemeenschappen vanuit het gezichtspunt van de ander wordt waargenomen, vaak in de vorm van nationale stereotypen.

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • welke voorafgaande sociaal-culturele ervaring en kennis de leerder zal moeten bezitten;
  • welke nieuwe ervaring en kennis van het sociale leven in zijn of haar gemeenschap en in de gemeenschap van de doeltaal de leerder zal moeten verwerven om aan de eisen van communicatie in T2 te voldoen;
  • welk bewustzijn van de verhouding tussen de thuis- en de doelcultuur de leerder nodig zal hebben om een goede interculturele competentie te ontwikkelen.