Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

5.1.2 Vaardigheden en bekwaamheden (savoir-faire)

5.1.2.1 Praktische vaardigheden en bekwaamheden zijn:

  • Sociale vaardigheden: het vermogen om te handelen in overeenstemming met de soorten conventies zoals beschreven in paragraaf 5.1.1.2 en om de verwachte routinehandelingen uit te voeren voor zover gepast gevonden voor buitenstaanders, in het bijzonder buitenlanders.
  • Leefvaardigheden: het vermogen om doeltreffend de routinehandelingen uit te voeren die het dagelijks leven vereist (baden, aankleden, lopen, koken, eten, enz.); onderhoud en reparatie van huishoudelijke apparaten en dergelijke.
  • Beroepsvaardigheden: het vermogen om gespecialiseerde mentale en fysieke handelingen uit te voeren die nodig zijn voor het vervullen van de plichten van het werk.
  • Vaardigheden voor de vrije tijd: het vermogen om doeltreffend de handelingen uit te voeren die vereist zijn voor vrijetijdsbezigheden, bijvoorbeeld:
  • kunstbeoefening (schilderen, beeldhouwen, muziekinstrumenten bespelen, enz.);
  • kunstnijverheid (breien, borduren, weven, manden vlechten, timmeren, enz.);
  • sportbeoefening (teamsporten, atletiek, joggen, bergbeklimmen, zwemmen, enz.);
  • hobby's (fotograferen, tuinieren, enz.).

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

• welke praktische vaardigheden en bekwaamheden de leerder zal moeten bezitten om op een bepaald gebied doeltreffend te kunnen communiceren.

5.1.2.2 Interculturele vaardigheden en bekwaamheden

Hiertoe behoren:

  • het vermogen om de oorspronkelijke cultuur en de buitenlandse cultuur met elkaar in verband te brengen;
  • cultuurgevoeligheid en het vermogen om verschillende strategieën toe te passen in contacten met mensen uit andere culturen;
  • het vermogen om de rol van cultureel intermediair te vervullen tussen de eigen cultuur en de buitenlandse cultuur, en om doeltreffend om te gaan met interculturele misverstanden en conflictsituaties;
  • het vermogen om boven stereotiepe verhoudingen te (gaan) staan.

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • welke rollen en functies als cultureel intermediair de leerder zal moeten kunnen vervullen;
  • welke kenmerken van de thuis- en de doelcultuur de leerder zal moeten kunnen onderscheiden;
  • welke voorzieningen zullen moeten worden getroffen om de leerder de doelcultuur te laten ervaren;
  • welke mogelijkheden de leerder zal hebben om als cultureel intermediair op te treden.