Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

5.1.4 Leervermogen (savoir-apprendre)

In de meest algemene betekenis is savoir-apprendre het vermogen om nieuwe ervaringen waar te nemen en te beleven en nieuwe kennis te integreren met bestaande kennis, waarbij de laatstgenoemde indien nodig wordt aangepast. Taalleervermogens ontwikkelen zich tijdens de leerervaring. Zij stellen de leerder in staat doeltreffender en zelfstandiger om te gaan met nieuwe uitdagingen bij het taalleren, te zien welke keuzemogelijkheden er zijn en beter gebruik te maken van geboden kansen. Leervermogen heeft verschillende componenten, zoals taal- en communicatiebewustzijn, algemene fonetische vaardigheden, studievaardigheden en heuristische vaardigheden.

5.1.4.1 Taal- en communicatiebewustzijn

Gevoeligheid voor taal en taalgebruik, met kennis en begrip van de beginselen volgens welke talen worden geordend en gebruikt, maakt het mogelijk om nieuwe ervaringen te assimileren in een geordend raamwerk en te verwelkomen als verrijking. De bijbehorende nieuwe taal kan vervolgens gemakkelijker worden geleerd en gebruikt en wordt minder beschouwd als een bedreiging van het bestaande taalsysteem van de leerder, dat vaak als normaal en 'natuurlijk' wordt gezien.

5.1.4.2 Algemeen fonetisch bewustzijn en vaardigheden

Veel leerders, in het bijzonder volwassen studenten, merken dat hun vermogen om nieuwe talen uit te spreken wordt bevorderd door:

  • het vermogen om niet-vertrouwde geluiden en lettergreeppatronen te onderscheiden en te produceren;
  • het vermogen om niet-vertrouwde klankenreeksen waar te nemen en aaneen te schakelen;
  • het vermogen om als luisteraar een ononderbroken geluidsstroom te interpreteren (d.w.z. te verdelen in afzonderlijke significante onderdelen) als een gestructureerde, betekenisvolle reeks fonologische elementen;
  • begrip/beheersing van de processen van geluidswaarneming en -productie die van toepassing zijn op het leren van een nieuwe taal.

Deze algemene fonetische vaardigheden staan los van het vermogen om een bepaalde taal uit te spreken.

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • of en zo ja welke maatregelen worden getroffen om het taal- en communicatiebewustzijn van de leerder te ontwikkelen;
  • welke auditieve onderscheidingsvaardigheden en uitspraakvaardigheden de leerder zal moeten bezitten.

5.1.4.3 Studievaardigheden

Hiertoe behoren:

  • het vermogen om doeltreffend gebruik te maken van de leermogelijkheden die de onderwijssituatie biedt, zoals:
    • de aandacht gericht houden op de aangeboden informatie;
    • de bedoeling begrijpen van de opgedragen taak;
    • desgevraagd doeltreffend samenwerken in paren en groepen;
    • snel, vaak en actief gebruikmaken van de geleerde taal;
    • in staat zijn beschikbare materialen te gebruiken om zelfstandig te leren;
    • in staat zijn materiaal voor zelfgestuurd leren te ordenen en te gebruiken;
    • in staat zijn doeltreffend te leren (zowel linguïstisch als sociaal-cultureel) van rechtstreekse observatie van en deelname aan communicatiegebeurtenissen door de bevordering van waarnemende, analytische en heuristische vaardigheden;
    • zich bewust zijn van de eigen sterkten en zwakten als leerder;
    • in staat zijn de eigen behoeften en doelstellingen te herkennen;
    • in staat zijn de eigen strategieën en procedures te ordenen met het oog op deze doelstellingen, in overeenstemming met de eigen kenmerken en bronnen.

5.1.4.4 Heuristische vaardigheden

Hiertoe behoren:

  • het vermogen van de leerder om nieuwe ervaringen te verwerken (nieuwe taal, nieuwe mensen, nieuw gedrag, enz.) en om in de leersituatie andere competenties in stelling te brengen (bijvoorbeeld door te observeren, de betekenis te bevatten van het geobserveerde, te analyseren, conclusies te trekken, iets uit het hoofd te leren, enz.);
  • het vermogen van de leerder (vooral tijdens het gebruik van referentiemateriaal in de doeltaal) om nieuwe informatie te vinden, te begrijpen en indien nodig over te brengen;
  • het vermogen om nieuwe technologie te gebruiken (bijvoorbeeld door informatie te zoeken in databanken, gebruik te maken van hypertekst, enz.).

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • van welke studievaardigheden het gebruik en de ontwikkeling bij leerders worden aangemoedigd/mogelijk gemaakt;
  • van welke heuristische vaardigheden het gebruik en de ontwikkeling bij leerders worden aangemoedigd/mogelijk gemaakt;
  • welke voorzieningen worden getroffen om leerders in toenemende mate zelfstandig te maken in hun taalleren en taalgebruik.