Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

5.2.1 Linguïstische competenties

Er is nog nooit een volledige, uitputtende beschrijving gemaakt van een taal als formeel systeem voor het uitdrukken van betekenis. Taalsystemen zijn bijzonder complex en de taal van een grote, diverse en ontwikkelde samenleving wordt nooit door één taalgebruiker volledig beheerst. Dat zou ook niet kunnen, want elke taal verandert voortdurend in reactie op de eisen die het gebruik tijdens de communicatie stelt. De meeste landen hebben getracht een standaardvorm van hun taal vast te leggen, maar nooit tot in de kleinste details. Voor de presentatie en het onderwijzen van die standaardtaal wordt een linguïstisch beschrijvingsmodel gebruikt dat hetzelfde is als dat van de – reeds lang dode – klassieke talen. Dit 'traditionele' model is echter al meer dan 100 jaar geleden door de meeste taalkundigen verworpen. Volgens hen moesten talen worden beschreven zoals zij werden gebruikt, niet zoals een autoriteit meende dat ze zouden moeten zijn. Bovendien vonden zij het traditionele model, dat was ontwikkeld voor talen van een bepaald type, ongeschikt voor de beschrijving van taalsystemen met een heel andere ordening. Geen van de vele voorstellen voor een alternatief model heeft echter ooit voet aan de grond gekregen. De mogelijkheid van één universeel beschrijvingsmodel voor alle talen is zelfs ontkend. Recent werk over linguïstische universalia heeft nog geen resultaten opgeleverd die rechtstreeks bruikbaar zijn bij de bevordering van het leren, onderwijzen en beoordelen van taal. De meeste beschrijvende taalkundigen stellen zich tegenwoordig tevreden met het systematiseren van de praktijk door het verband te leggen tussen vorm en betekenis en alleen terminologie te gebruiken die afwijkt van de traditionele wanneer dat noodzakelijk is om verschijnselen te beschrijven die buiten het bereik van de traditionele beschrijvingsmodellen vallen. Dit is de benadering die is gekozen in paragraaf 5.2. Daarmee wordt geprobeerd de belangrijkste componenten te herkennen en te classificeren van linguïstische competentie, een begrip dat wordt gedefinieerd als kennis, en het vermogen om gebruik te maken, van de formele bronnen waaruit welgevormde, betekenisvolle boodschappen kunnen worden samengesteld en geformuleerd. Het onderstaande schema is alleen bedoeld om als classificatie-instrumenten enige parameters en categorieën aan te bieden die bruikbaar kunnen zijn voor de beschrijving van linguïstische inhoud en als basis voor reflectie. Diegenen die er de voorkeur aan geven een andere referentiekader te gebruiken, zijn vrij dat te doen, hier en elders. Zij zullen dan moeten aangeven welke theorie, traditie of praktijk zij volgen. We onderscheiden hier:

5.2.1.1

lexicale competentie;

5.2.1.2

grammaticale competentie;

5.2.1.3

semantische competentie;

5.2.1.4

fonologische competentie;

5.2.1.5

orthografische competentie;

5.2.1.6

orthoëpische competentie.

De voortgang in de ontwikkeling van het vermogen van een leerder om linguïstische bronnen te gebruiken kan op een schaal worden uitgezet en wordt voor zover toepasselijk op die manier gepresenteerd op de volgende pagina's.

ALGEMEEN LINGUÏSTISCH BEREIK

C2

Kan gebruikmaken van een volledige en betrouwbare beheersing van een zeer breed scala van taal om gedachten precies te formuleren, nadruk te leggen, onderscheid te maken en ambiguïteit uit te sluiten. Er zijn geen tekenen dat hij of zij beperkt wordt in wat hij of zij wil zeggen.

C1

Kan een geschikte formulering kiezen uit een breed scala van taal om zich helder uit te drukken, zonder zich te hoeven beperken in wat hij of zij wil zeggen.

Kan zich helder uitdrukken zonder veel aanwijzingen dat hij of zij beperkt wordt in wat hij of zij wil zeggen.

B2

Beschikt over een voldoende breed scala van taal om duidelijke beschrijvingen te geven, standpunten te formuleren en argumenten te geven, zonder al te opvallend te hoeven zoeken naar woorden, en daarbij bepaalde complexe zinsvormen te gebruiken.

B1

Beschikt over een voldoende breed scala van taal om onvoorspelbare situaties te beschrijven, met redelijke nauwkeurigheid de hoofdpunten van een idee of probleem uit te leggen en gedachten onder woorden te brengen over abstracte of culturele onderwerpen zoals muziek en films.

Beschikt over genoeg taal om zich te redden, met een woordenschat die voldoende is om zich, met enige aarzeling en omhaal van woorden, te uiten over onderwerpen als familie, hobby´s en interessegebieden, werk, reizen en actualiteiten, hoewel lexicale beperkingen tot herhaling van woorden en soms zelfs tot problemen met formuleren leiden.

Beschikt over een repertoire van elementaire taal dat hem of haar in staat stelt met voorspelbare alledaagse situaties om te gaan, al zal hij of zij de boodschap vaak geweld moeten aandoen en naar woorden moeten zoeken.

A2

Kan beknopte alledaagse uitdrukkingen voortbrengen om te voldoen aan eenvoudige behoeften van concrete aard: persoonlijke gegevens, dagelijkse routines, wensen en behoeften, verzoeken om inlichtingen. Kan elementaire zinspatronen gebruiken en communiceren met uit het hoofd geleerde frasen, woordgroepen en formules over zichzelf en anderen, wat zij doen, plaatsen, bezittingen, enzovoort. Beschikt over een beperkt repertoire van korte uit het hoofd geleerde frasen voor voorspelbare overlevingssituaties; in niet-alledaagse situaties komt het regelmatig tot mislukte communicatie en misverstanden.

A1

Beschikt over een zeer elementair bereik van eenvoudige uitdrukkingen over persoonlijke gegevens en behoeften van concrete aard.