5.2.1.1 Lexicale competentie – de kennis van de woordenschat van een taal en het vermogen deze te gebruiken – bestaat uit lexicale en grammaticale elementen.
Lexicale elementen zijn bijvoorbeeld:
a) Vaste uitdrukkingen van meerdere woorden, die als een geheel worden geleerd en gebruikt. Tot de vaste uitdrukkingen behoren:
b) Enkelvoudige woordvormen. Een bepaalde enkelvoudige woordvorm kan verschillende betekenissen hebben (polysemie). Zo is een tank een houder voor vloeistof of gas, of een bewapend en gepantserd militair voertuig. Bepaalde enkelvoudige woordvormen behoren tot de open woordsoorten: zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, hoewel hiervan ook gesloten lexicale reeksen deel uitmaken (bijvoorbeeld de dagen van de week, de maanden van het jaar, maten en gewichten, enzovoort). Voor grammaticale en semantische doeleinden kunnen ook andere woordsoorten worden vastgesteld (zie onder).
Grammaticale elementen behoren tot gesloten woordsoorten, bijvoorbeeld:
| lidwoorden | (de, het, een) |
| kwantificerende elementen | (sommige, alle, veel, enz.) |
| aanwijzende voornaamwoorden | (deze, die, dit, dat) |
| persoonlijke voornaamwoorden | (ik, wij, hij, zij, het, jullie, mij, jou, enz.) |
| vraagwoorden en betrekkelijke voornaamwoorden | (wie, wat, die, dat, welke, waar, hoe, enz.) |
| bezittelijke voornaamwoorden | (mijn, jouw, zijn, haar, hun, enz.) |
| voorzetsels | (in, op, door, met, van, enz.) |
| hulpwerkwoorden | hebben, zijn, worden; modale hulpwerkwoorden (kunnen, mogen) |
| voegwoorden | (en, maar, als, hoewel) |
| partikels | (ja, ach, wel, enz.) |
Er zijn toelichtende schalen beschikbaar voor de omvang van de woordenschat en de beheersing van die kennis.
| BEREIK VAN DE WOORDENSCHAT | |
| C2 | Heeft een goede beheersing van een breed lexicaal repertoire met inbegrip van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal; toont zich bewust van betekenisconnotaties. |
| C1 | Heeft een goede beheersing van een breed repertoire aan woorden, waardoor hiaten in de woordenschat gemakkelijk kunnen worden gedicht met omschrijvingen; er is in geringe mate sprake van zichtbaar zoeken naar uitdrukkingen en vermijdingsstrategieën. Goede beheersing van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal. |
| B2 | Beschikt over een goede woordenschat voor zaken die verband houden met zijn of haar vakgebied en de meeste algemene onderwerpen. Kan variatie aanbrengen in formuleringen om te veel herhaling te voorkomen, al kunnen hiaten in de woordenschat nog wel tot aarzeling en omschrijving leiden. |
| B1 | Beschikt over voldoende woorden om zich, met enige omhaal van woorden, te uiten over de meeste onderwerpen die betrekking hebben op het dagelijks leven, zoals familie, hobby´s en interesses, werk, reizen en actualiteiten. |
| A2 | Beschikt over voldoende woorden om alledaagse handelingen uit te voeren die betrekking hebben op vertrouwde situaties en onderwerpen. |
| Beschikt over voldoende woorden om elementaire communicatiebehoeften tot uiting te brengen. Beschikt over voldoende woorden om primaire levensbehoeften te vervullen. | |
| A1 | Heeft een elementaire woordenschat die bestaat uit geïsoleerde woorden en frasen met betrekking tot bepaalde concrete situaties. |
| BEHEERSING VAN DE WOORDENSCHAT | |
| C2 | Consequent correct en toepasselijk woordgebruik. |
| C1 | Incidentele kleine vergissingen, maar geen echte fouten in woordkeuze. |
| B2 | Trefzekerheid in woordkeuze is over het algemeen hoog, al komen enige verwarring en onjuist woordgebruik wel voor zonder de communicatie in de weg te staan. |
| B1 | Goede beheersing van elementaire woordenschat, al doen zich nog wel grote fouten voor wanneer meer complexe gedachten worden ontvouwd of niet-vertrouwde onderwerpen en situaties aan de orde zijn. |
| A2 | Kan een beperkt repertoire hanteren om te voorzien in concrete alledaagse behoeften. |
| A1 | Geen descriptor beschikbaar |
Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden: