5.2.2 Sociolinguïstische competentie
Sociolinguïstische competentie heeft betrekking op de kennis en vaardigheden die nodig zijn om de sociale dimensie van taalgebruik te hanteren. Het is ook al opgemerkt in verband met sociaal-culturele competentie, maar omdat taal een sociaal-cultureel verschijnsel is, is veel van de inhoud van het Referentiekader, vooral wat betreft sociaal-culturele aspecten, relevant voor sociolinguïstische competentie. Hier worden zaken behandeld die specifiek betrekking hebben op taalgebruik en die niet elders aan de orde komen: linguïstische markeringen van sociale verhoudingen; beleefdheidsconventies; uitdrukkingen van volkswijsheid; registerverschillen, en dialect en accent.
5.2.2.1 Linguïstische markeringen van sociale verhoudingen
Deze lopen natuurlijk sterk uiteen in verschillende talen en culturen, afhankelijk van factoren als a) relatieve status, b) verwantschap, c) gespreksregister, enz.. De onderstaande voorbeelden zijn niet universeel toepasbaar en kunnen wel of niet equivalenten hebben in andere talen.
5.2.2.2 Beleefdheidsconventies
Beleefdheidsconventies kunnen een belangrijke reden zijn om af te zien van onomwonden toepassing van het 'samenwerkingsbeginsel' (zie paragraaf 5.2.3.1). Zij variëren van cultuur tot cultuur en zijn vaak een bron van interetnische misverstanden, vooral wanneer beleefde uitdrukkingen letterlijk worden opgevat.
5.2.2.3 Uitdrukkingen van volkswijsheid
Deze vaste formules, die een gemeenschappelijke houding belichamen en versterken, leveren een aanzienlijke bijdrage aan de volkscultuur. Ze worden vaak gebruikt, maar misschien nog vaker wordt ernaar verwezen of mee gespeeld, bijvoorbeeld in krantenkoppen. Kennis van deze volkswijsheden, uitgedrukt in een taal die iedereen verondersteld wordt te kennen, is een belangrijke component van het linguïstische aspect van sociaal-culturele competentie.
Graffiti, teksten op t-shirts, herkenningskreten op de televisie, kaarten en posters op de werkplek hebben tegenwoordig vaak eenzelfde functie.
De term 'register' wordt gebruikt om te verwijzen naar stelselmatige verschillen tussen taalvarianten die in verschillende contexten worden gebruikt. Het gaat om een erg breed concept, dat zich kan uitstrekken tot wat hier wordt behandeld onder 'taken' (zie paragraaf 4.3), 'tekstsoorten' (zie paragraaf 4.6.4) en 'macrofuncties'(zie paragraaf 5.2.3.2). In deze paragraaf houden we ons bezig met verschillen in formaliteitsniveaus:
In de eerste leerfasen (tot pakweg niveau B1) is een betrekkelijk neutraal register het meest geschikt, tenzij er dwingende redenen zijn om voor een ander register te kiezen. Dit neutrale register zullen moedertaalsprekers meestal tegen buitenlanders en vreemden in het algemeen gebruiken en ook van hen verwachten. De bekendheid met meer formele of meer familiaire registers zal waarschijnlijk in de loop van de tijd ontstaan, wellicht door het lezen van verschillende tekstsoorten, in het bijzonder romans, en eerst als receptieve competentie. Men dient enige voorzichtigheid te betrachten bij het gebruik van meer formele of meer familiaire registers, aangezien ongepast gebruik snel kan leiden tot misverstanden en spot.
Tot sociolinguïstische competentie behoort ook het vermogen om de linguïstische markeringen te herkennen van bijvoorbeeld:
Zulke markeringen zijn bijvoorbeeld:
Geen enkele Europese taalgemeenschap is volkomen homogeen. Vele regio's hebben hun eigenaardigheden op taal- en cultuurgebied. Deze zijn gewoonlijk het sterkst gemarkeerd bij hen die een zuiver lokaal leven leiden en correleren dan ook met maatschappelijke klasse, beroep en onderwijsniveau. Herkenning van dialecten levert daarom belangrijke aanwijzingen op over kenmerken van de gesprekspartner. Stereotypen spelen in dit proces een grote rol. Deze kan worden verminderd door de ontwikkeling van interculturele vaardigheden (zie paragraaf 5.1.2.2). Leerders zullen in de loop der tijd ook in contact komen met sprekers van verschillende komaf. Voordat zij zelf dialectvormen overnemen dienen zij zich bewust te zijn van de sociale connotaties en de noodzaak van samenhang en consistentie.
Het maken van schalen voor aspecten van sociolinguïstische competentie is problematisch gebleken (zie bijlage B). Succesvol geschaalde elementen zijn opgenomen in de volgende toelichtende schaal. Zoals te zien is heeft het onderste gedeelte van de schaal alleen betrekking op markeringen van sociale verhoudingen en beleefdheidsconventies. Vanaf niveau B2 blijken gebruikers zich vervolgens adequaat te kunnen uitdrukken in taal die sociolinguïstisch past bij de betrokken situaties en personen en beginnen zij een vermogen te ontwikkelen om variatie in gesproken taal te hanteren, plus een grotere beheersing van registers en idiomatische uitdrukkingen.
| SOCIOLINGUÏSTISCHE TREFZEKERHEID | |
| C2 | Heeft een goede beheersing van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal, en is zich bewust van betekenisconnotaties op verschillende niveaus. Begrijpt volledig de sociolinguïstische en sociaal-culturele implicaties van de taal die wordt gebruikt door moedertaalsprekers en kan dienovereenkomstig reageren. Kan doeltreffend bemiddelen tussen sprekers van de doeltaal en van die van zijn of haar oorspronkelijke gemeenschap, rekening houdend met sociaal-culturele en sociolinguïstische verschillen. |
| C1 | Kan een breed scala van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal herkennen, en heeft daarbij oog voor registerveranderingen; heeft echter zo nu en dan behoefte aan bevestiging van details, vooral als het accent niet vertrouwd is. Kan films volgen met veel plat taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen. Kan taal flexibel en doeltreffend gebruiken voor sociale doeleinden, met inbegrip van emotioneel, dubbelzinnig en humoristisch taalgebruik. |
| Kan zich vol vertrouwen, helder en beleefd uitdrukken in een formeel of informeel register, afhankelijk van de situatie en de betrokkenen. | |
| B2 | Kan met enige inspanning groepsdiscussies volgen en daaraan bijdragen, zelfs wanneer er snelle spreektaal wordt gebezigd. Kan betrekkingen onderhouden met moedertaalsprekers zonder hen onbedoeld te amuseren of te irriteren en zonder hen te verplichten zich anders te gedragen dan zij tegenover een moedertaalspreker zouden doen. Kan zich in situaties op gepaste wijze uitdrukken en weet flagrante fouten in de formulering te vermijden. |
| B1 | Kan een breed scala van taalfuncties uitvoeren en beantwoorden met de meest voorkomende exponenten in een neutraal register. Is zich bewust van de belangrijkste beleefdheidsconventies en handelt dienovereenkomstig. Is zich bewust en let op tekenen van de belangrijkste verschillen in gewoonten, gebruiken, houdingen, waarden en overtuigingen tussen de betrokken gemeenschap en die van hem of haar zelf. |
| A2 | Kan elementaire taalfuncties uitvoeren en beantwoorden, zoals informatie-uitwisseling en verzoeken om inlichtingen, en kan op eenvoudige wijze meningen en houdingen uitdrukken. Kan op eenvoudige maar doeltreffende wijze sociale contacten aangaan met gebruikmaking van de eenvoudigste gangbare uitdrukkingen en door elementaire routines te volgen. |
| Kan zeer korte sociale contacten hanteren en daarbij gebruikmaken van alledaagse beleefde vormen van begroeting en aanspreken. Kan onder andere uitnodigingen doen, suggesties opperen en verontschuldigingen aanbieden, en daarop reageren. | |
| A1 | Kan elementair sociaal contact leggen door gebruik te maken van de eenvoudigste alledaagse beleefdheidsvormen van: begroeting en afscheid; voorstellen; alstublieft, dankuwel en sorry zeggen, enz.. |
Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden: