Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

5.2.2 Sociolinguïstische competentie

Sociolinguïstische competentie heeft betrekking op de kennis en vaardigheden die nodig zijn om de sociale dimensie van taalgebruik te hanteren. Het is ook al opgemerkt in verband met sociaal-culturele competentie, maar omdat taal een sociaal-cultureel verschijnsel is, is veel van de inhoud van het Referentiekader, vooral wat betreft sociaal-culturele aspecten, relevant voor sociolinguïstische competentie. Hier worden zaken behandeld die specifiek betrekking hebben op taalgebruik en die niet elders aan de orde komen: linguïstische markeringen van sociale verhoudingen; beleefdheidsconventies; uitdrukkingen van volkswijsheid; registerverschillen, en dialect en accent.

5.2.2.1 Linguïstische markeringen van sociale verhoudingen

Deze lopen natuurlijk sterk uiteen in verschillende talen en culturen, afhankelijk van factoren als a) relatieve status, b) verwantschap, c) gespreksregister, enz.. De onderstaande voorbeelden zijn niet universeel toepasbaar en kunnen wel of niet equivalenten hebben in andere talen.

  • gebruik en keuze van begroeting:
    • bij aankomst, bijvoorbeeld Hallo! Goedemorgen!
    • kennismaking, bijvoorbeeld Hoe maakt u het?
    • afscheid, bijvoorbeeld Dag. . . Tot ziens
  • gebruik en keuze van aanspreekvorm:
    • versteend, bijvoorbeeld Uwe majesteit, Edelachtbare
    • formeel, bijvoorbeeld Meneer, Mevrouw, Juffrouw, Dokter, Professor (+achternaam)
    • informeel, bijvoorbeeld alleen voornaam: Jan! Suzan!
  • geen aanspreekvorm
    • familiair, bijvoorbeeld jongen, schat; (populair) ouwe, liefie
    • gebiedend, bijvoorbeeld alleen achternaam: Smit! Jij (daar)!
    • rituele belediging, bijvoorbeeld stomme idioot! (vaak vertederd)
  • conventies voor het nemen van beurten

  • gebruik en keuze van krachttermen (O jee!, Mijn God!, Potverdorie!, enz.)

5.2.2.2 Beleefdheidsconventies

Beleefdheidsconventies kunnen een belangrijke reden zijn om af te zien van onomwonden toepassing van het 'samenwerkingsbeginsel' (zie paragraaf 5.2.3.1). Zij variëren van cultuur tot cultuur en zijn vaak een bron van interetnische misverstanden, vooral wanneer beleefde uitdrukkingen letterlijk worden opgevat.

  1. 'positieve' beleefdheid, bijvoorbeeld:
    • belangstelling tonen voor iemands welbevinden;
    • ervaringen en zorgen delen, 'serieuze gesprekken';
    • bewondering, genegenheid, dankbaarheid uiten;
    • geschenken aanbieden, gunsten en gastvrijheid beloven;
  2. 'negatieve' beleefdheid, bijvoorbeeld:
    • intimiderend gedrag vermijden (dogmatisme, rechtstreekse bevelen, enz.);
    • spijt betuigen, zich verontschuldigen voor intimiderend gedrag (verbeteren, tegenspraak, verboden, enz.);
    • zich indekken, enz. (bijvoorbeeld 'Ik geloof dat', 'toch?');
  3. toepasselijk gebruik van 'alsjeblieft', 'dankjewel', enz.;
  4. onbeleefdheid (met opzet de beleefdheidsconventies overtreden), bijvoorbeeld:
    • directheid, openhartigheid;
    • minachting of afkeer uitdrukken;
    • ernstige klacht of terechtwijzing;
    • uiting geven aan woede of ongeduld;
    • superioriteit bevestigen.

5.2.2.3 Uitdrukkingen van volkswijsheid

Deze vaste formules, die een gemeenschappelijke houding belichamen en versterken, leveren een aanzienlijke bijdrage aan de volkscultuur. Ze worden vaak gebruikt, maar misschien nog vaker wordt ernaar verwezen of mee gespeeld, bijvoorbeeld in krantenkoppen. Kennis van deze volkswijsheden, uitgedrukt in een taal die iedereen verondersteld wordt te kennen, is een belangrijke component van het linguïstische aspect van sociaal-culturele competentie.

  • spreekwoorden, bijvoorbeeld de beste stuurlui staan aan wal

  • idiomatische uitdrukkingen, bijvoorbeeld van een mug een olifant maken

  • vertrouwde citaten, bijvoorbeeld de vis wordt duur betaald

  • uitingen van:
    • overtuigingen, zoals weerspreuken, bijvoorbeeld Morgenrood, regen/water in de sloot
    • houdingen, zoals clichés, bijvoorbeeld Je familie kun je niet uitkiezen
    • waardeoordelen, bijvoorbeeld Het is niet comme il faut.

Graffiti, teksten op t-shirts, herkenningskreten op de televisie, kaarten en posters op de werkplek hebben tegenwoordig vaak eenzelfde functie.

5.2.2.4 Registerverschillen

De term 'register' wordt gebruikt om te verwijzen naar stelselmatige verschillen tussen taalvarianten die in verschillende contexten worden gebruikt. Het gaat om een erg breed concept, dat zich kan uitstrekken tot wat hier wordt behandeld onder 'taken' (zie paragraaf 4.3), 'tekstsoorten' (zie paragraaf 4.6.4) en 'macrofuncties'(zie paragraaf 5.2.3.2). In deze paragraaf houden we ons bezig met verschillen in formaliteitsniveaus:

  • versteend, bijvoorbeeld Zo waarlijk helpe mij God almachtig.
  • formeel, bijvoorbeeld Aan de orde is thans punt één van de agenda.
  • neutraal, bijvoorbeeld Zullen we beginnen?
  • informeel, bijvoorbeeld Goed. Wat denken jullie ervan?
  • familiair, bijvoorbeeld OK jongens, ertegenaan!
  • intiem, bijvoorbeeld Ben je zover, schat?

In de eerste leerfasen (tot pakweg niveau B1) is een betrekkelijk neutraal register het meest geschikt, tenzij er dwingende redenen zijn om voor een ander register te kiezen. Dit neutrale register zullen moedertaalsprekers meestal tegen buitenlanders en vreemden in het algemeen gebruiken en ook van hen verwachten. De bekendheid met meer formele of meer familiaire registers zal waarschijnlijk in de loop van de tijd ontstaan, wellicht door het lezen van verschillende tekstsoorten, in het bijzonder romans, en eerst als receptieve competentie. Men dient enige voorzichtigheid te betrachten bij het gebruik van meer formele of meer familiaire registers, aangezien ongepast gebruik snel kan leiden tot misverstanden en spot.

5.2.2.5 Dialect en accent

Tot sociolinguïstische competentie behoort ook het vermogen om de linguïstische markeringen te herkennen van bijvoorbeeld:

  • maatschappelijke klasse
  • regionale afkomst
  • nationale afkomst
  • etniciteit
  • beroepsgroep

Zulke markeringen zijn bijvoorbeeld:

  • woordgebruik, bijvoorbeeld het Vlaamse gij/ge voor 'jij/je'
  • grammatica, bijvoorbeeld hun hebben nooit niks gewonnen voor 'zij hebben nog nooit iets gewonnen'
  • fonologie, bijvoorbeeld de Zuid-Nederlandse zachte g
  • vocale kenmerken (ritme, volume, enz.)
  • paralinguïstiek
  • lichaamstaal

Geen enkele Europese taalgemeenschap is volkomen homogeen. Vele regio's hebben hun eigenaardigheden op taal- en cultuurgebied. Deze zijn gewoonlijk het sterkst gemarkeerd bij hen die een zuiver lokaal leven leiden en correleren dan ook met maatschappelijke klasse, beroep en onderwijsniveau. Herkenning van dialecten levert daarom belangrijke aanwijzingen op over kenmerken van de gesprekspartner. Stereotypen spelen in dit proces een grote rol. Deze kan worden verminderd door de ontwikkeling van interculturele vaardigheden (zie paragraaf 5.1.2.2). Leerders zullen in de loop der tijd ook in contact komen met sprekers van verschillende komaf. Voordat zij zelf dialectvormen overnemen dienen zij zich bewust te zijn van de sociale connotaties en de noodzaak van samenhang en consistentie.

Het maken van schalen voor aspecten van sociolinguïstische competentie is problematisch gebleken (zie bijlage B). Succesvol geschaalde elementen zijn opgenomen in de volgende toelichtende schaal. Zoals te zien is heeft het onderste gedeelte van de schaal alleen betrekking op markeringen van sociale verhoudingen en beleefdheidsconventies. Vanaf niveau B2 blijken gebruikers zich vervolgens adequaat te kunnen uitdrukken in taal die sociolinguïstisch past bij de betrokken situaties en personen en beginnen zij een vermogen te ontwikkelen om variatie in gesproken taal te hanteren, plus een grotere beheersing van registers en idiomatische uitdrukkingen.

SOCIOLINGUÏSTISCHE TREFZEKERHEID

C2

Heeft een goede beheersing van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal, en is zich bewust van betekenisconnotaties op verschillende niveaus. Begrijpt volledig de sociolinguïstische en sociaal-culturele implicaties van de taal die wordt gebruikt door moedertaalsprekers en kan dienovereenkomstig reageren. Kan doeltreffend bemiddelen tussen sprekers van de doeltaal en van die van zijn of haar oorspronkelijke gemeenschap, rekening houdend met sociaal-culturele en sociolinguïstische verschillen.

C1

Kan een breed scala van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal herkennen, en heeft daarbij oog voor registerveranderingen; heeft echter zo nu en dan behoefte aan bevestiging van details, vooral als het accent niet vertrouwd is. Kan films volgen met veel plat taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen. Kan taal flexibel en doeltreffend gebruiken voor sociale doeleinden, met inbegrip van emotioneel, dubbelzinnig en humoristisch taalgebruik.

Kan zich vol vertrouwen, helder en beleefd uitdrukken in een formeel of informeel register, afhankelijk van de situatie en de betrokkenen.

B2

Kan met enige inspanning groepsdiscussies volgen en daaraan bijdragen, zelfs wanneer er snelle spreektaal wordt gebezigd. Kan betrekkingen onderhouden met moedertaalsprekers zonder hen onbedoeld te amuseren of te irriteren en zonder hen te verplichten zich anders te gedragen dan zij tegenover een moedertaalspreker zouden doen. Kan zich in situaties op gepaste wijze uitdrukken en weet flagrante fouten in de formulering te vermijden.

B1

Kan een breed scala van taalfuncties uitvoeren en beantwoorden met de meest voorkomende exponenten in een neutraal register. Is zich bewust van de belangrijkste beleefdheidsconventies en handelt dienovereenkomstig. Is zich bewust en let op tekenen van de belangrijkste verschillen in gewoonten, gebruiken, houdingen, waarden en overtuigingen tussen de betrokken gemeenschap en die van hem of haar zelf.

A2

Kan elementaire taalfuncties uitvoeren en beantwoorden, zoals informatie-uitwisseling en verzoeken om inlichtingen, en kan op eenvoudige wijze meningen en houdingen uitdrukken. Kan op eenvoudige maar doeltreffende wijze sociale contacten aangaan met gebruikmaking van de eenvoudigste gangbare uitdrukkingen en door elementaire routines te volgen.

Kan zeer korte sociale contacten hanteren en daarbij gebruikmaken van alledaagse beleefde vormen van begroeting en aanspreken. Kan onder andere uitnodigingen doen, suggesties opperen en verontschuldigingen aanbieden, en daarop reageren.

A1

Kan elementair sociaal contact leggen door gebruik te maken van de eenvoudigste alledaagse beleefdheidsvormen van: begroeting en afscheid; voorstellen; alstublieft, dankuwel en sorry zeggen, enz..

Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • welk bereik van begroetingen, aanspreekvormen en krachttermen leerders a) moeten kunnen herkennen, b) sociologisch moeten kunnen beoordelen en c) zelf moeten kunnen gebruiken;
  • welke beleefdheidsconventies leerders a) moeten kunnen herkennen en begrijpen, en b) zelf moeten kunnen gebruiken;
  • welke vormen van onbeleefdheid leerders a) moeten kunnen herkennen en begrijpen en b) zelf moeten kunnen gebruiken;
  • welke spreekwoorden, clichés en volkswijsheden leerders a) moeten kunnen herkennen en begrijpen en b) zelf moeten kunnen gebruiken;
  • welke registers leerders moeten kunnen a) herkennen en begrijpen en b) gebruiken;
  • welke sociale groepen in de doelgemeenschap – en wellicht in de internationale gemeenschap – de leerder moet kunnen herkennen aan hun taalgebruik.