Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

5.2.3 Pragmatische competenties

Pragmatische competenties hebben betrekking op de kennis die de taalgebruiker/taalleerder heeft van de beginselen op basis waarvan boodschappen worden:

  • a) georganiseerd, gestructureerd en gerangschikt ('discoursecompetentie');
  • b) gebruikt om communicatieve functies uit te voeren ('functionele competentie');
  • c) aaneengeschakeld volgens interactie- en transactieschemata ('ontwerpcompetentie').

5.2.3.1 Gesprekscompetentie is het vermogen van een taalgebruiker/taalleerder om zinnen in de juiste volgorde te zetten zodat samenhangende stukken tekst ontstaan. Dit omvat kennis en beheersing van de juiste volgorde in termen van:

  • onderwerp/focus;
  • gegeven/nieuw;
  • 'natuurlijke' volgorde, bijvoorbeeld in de tijd:
    • Hij viel op de grond en ik gaf hem een klap, tegenover
    • Ik gaf hem een klap en hij viel op de grond.
  • oorzaak/gevolg (omkeerbaar) – de prijzen stijgen – de mensen eisen hogere lonen.
  • het vermogen om de tekst te structureren en te beheren in termen van:
    • thematische ordening;
    • coherentie en cohesie;
    • logische volgorde;
    • stijl en register;
    • retorische doeltreffendheid;
    • het 'samenwerkingsbeginsel' (Grice 1975): 'lever uw bijdrage zoals, in de fase waarin zij voorkomt, wordt vereist door de aanvaarde bedoeling of richting van het gesprek waarbij u betrokken bent, door de volgende stelregels aan te houden:
      • kwaliteit (probeer een bijdrage te leveren die waar is);
      • kwantiteit (maak uw bijdrage zo informatief als nodig is, maar niet meer dan dat);
      • relevantie (zeg niets wat niet relevant is);
      • manier (wees beknopt en ordelijk, vermijd onduidelijkheid en dubbelzinnigheid)'.

Afwijkingen van deze criteria voor heldere en doelmatige communicatie zijn alleen toegestaan als zij een speciaal doel dienen, niet vanwege onvermogen om eraan te voldoen.

  • Tekstontwerp: kennis van de ontwerpconventies in de betrokken gemeenschap, bijvoorbeeld:
    • hoe informatie wordt gestructureerd bij de realisatie van de verschillende macrofuncties (beschrijving, verhaal, expositie, enz.);
    • hoe verhalen, anekdotes, grappen en dergelijke worden verteld;
    • hoe een pleidooi wordt opgebouwd (in een rechtszaal, debat, enz.);
    • hoe geschreven teksten (essays, officiële brieven, enz.) worden ingedeeld, gemarkeerd en aaneengeschakeld.

Een groot deel van het onderwijs in de moedertaal wordt besteed aan de opbouw van de gespreksvaardigheden van jonge mensen. Bij het leren van een vreemde taal begint de leerder waarschijnlijk met korte beurten, gewoonlijk met een lengte van één zin. Op hogere taalbeheersingsniveaus wordt de ontwikkeling van de gesprekscompetentie, waarvan de componenten in deze paragraaf worden aangeduid, steeds belangrijker.

  • Flexibiliteit ten opzichte van omstandigheden;
  • Beurten nemen (ook behandeld bij de interactiestrategieën);
  • Thematische ontwikkeling;
  • Coherentie en cohesie.

FLEXIBILITEIT

C2

Toont grote flexibiliteit bij het herformuleren van ideeën in andere taalvormen om nadruk te geven of onderscheid te maken

naar situatie, gespreksgenoot, enz. en om dubbelzinnigheid weg te nemen.

C1

Als B2+

Kan wat hij of zij zegt en de manier van uitdrukken aanpassen aan de situatie en de ontvanger, en een mate van formaliteit kiezen die in de omstandigheden toepasselijk is.

B2

Kan zich aanpassen aan de veranderingen van richting, stijl en nadruk die gewoon zijn in gesprekken.

Kan de formulering variëren van wat hij of zij wil zeggen.

Kan zijn of haar uitdrukking aanpassen om minder alledaagse en zelfs moeilijke situaties te hanteren.

B1

Kan een breed scala van eenvoudige taal flexibel inzetten om veel te zeggen van wat hij of zij wil.

Kan goed ingestudeerde en geleerde eenvoudige frasen aanpassen aan bepaalde omstandigheden door beperkte lexicale substitutie

.

A2

Kan geleerde frasen uitbreiden door hun elementen iets anders te combineren.

A1

Geen descriptor beschikbaar

BEURTEN NEMEN

C2

Als C1

C1

Kan een passende frase kiezen uit een paraat scala van gespreksfuncties om zijn of haar opmerkingen op de juiste wijze aan te kondigen en de beurt te krijgen, of om tijd te winnen en de beurt te houden tijdens het nadenken.

B2

Kan op toepasselijke wijze ingrijpen in een discussie en daarvoor de juiste taal gebruiken.

Kan op gepaste wijze een gesprek beginnen, onderhouden en beëindigen, en daarbij doeltreffend beurten nemen. Kan een gesprek beginnen, de beurt nemen wanneer dat gepast is en de conversatie beëindigen wanneer dat moet, zij het niet altijd op elegante wijze. Kan standaardzinnen gebruiken (bijvoorbeeld 'Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag') om tijd te winnen en de beurt te behouden tijdens het zoeken naar woorden.

Kan ingrijpen in een discussie over een vertrouwd onderwerp en de juiste frase gebruiken om aan het woord te komen.

B1

Kan een eenvoudig rechtstreeks gesprek beginnen, gaande houden en beëindigen over onderwerpen die vertrouwd of van persoonlijk belang zijn.

Kan eenvoudige technieken toepassen om een kort gesprek te beginnen, gaande te houden of te beëindigen.

A2

Kan een eenvoudig rechtstreeks gesprek beginnen, gaande houden en beëindigen.

Kan om aandacht vragen.

A1

Geen descriptor beschikbaar

THEMATISCHE ONTWIKKELING

C2

Als C1

C1

Kan uitgewerkte beschrijvingen geven en verhalen vertellen en daarbij subthema's integreren, bepaalde standpunten ontwikkelen en afronden met een passende conclusie.

B2

Kan een heldere beschrijving geven of duidelijk verhaal vertellen, en daarbij de hoofdpunten uitwerken en ondersteunen met relevante aanvullende punten en voorbeelden.

B1

Kan redelijk vloeiend een helder verhaal vertellen of een heldere beschrijving geven in de vorm van een lineaire opeenvolging van punten.

A2

Kan een verhaal vertellen of iets beschrijven als een simpele opsomming van punten.

A1

Geen descriptor beschikbaar

COHERENTIE EN COHESIE

C2

Kan samenhangende tekst produceren en daarbij volledig en toepasselijk gebruikmaken van uiteenlopende ordeningspatronen en een breed scala van cohesie bevorderende elementen.

C1

Kan duidelijke, vloeiende, goed gestructureerde gesproken taal voortbrengen, die getuigt van een goede beheersing van

ordeningspatronen, verbindingswoorden en cohesie bevorderende elementen.

Kan een groot aantal verbindingswoorden doelmatig gebruiken om de verhoudingen tussen ideeën helder aan te geven.

B2

Kan gebruikmaken van een beperkt aantal cohesie bevorderende elementen om zijn of haar uitingen te verbinden tot een helder, coherent betoog, hoewel in een langere bijdrage sprake kan zijn van een zekere 'springerigheid'.

B1

Kan een reeks kortere, op zichzelf staande eenvoudige elementen verbinden tot een samenhangende lineaire opeenvolging van punten.

Kan de meest voorkomende verbindingswoorden gebruiken om enkelvoudige zinnen te verbinden om een verhaal te vertellen of

A2

iets te beschrijven als een eenvoudige opsomming van punten.

Kan woordgroepen verbinden met eenvoudige voegwoorden als 'en', 'maar' en 'omdat'.

A1

Kan woorden of woordgroepen met elkaar verbinden met heel elementaire lineaire verbindingswoorden als 'en' of 'toen.

5.2.3.2 Functionele competentie

Deze component heeft betrekking op het gebruik van gesproken en geschreven teksten die bepaalde functionele doelen dienen in de communicatie (zie paragraaf 4.2). Conversatiecompetentie is meer dan louter weten welke specifieke functies (microfuncties) worden uitgedrukt met welke taalvormen. Deelnemers zijn betrokken bij een interactie waarin elk initiatief tot een respons leidt en de interactie verder brengt, zoals de bedoeling is, via een opeenvolging van fasen, van de openingswoorden tot de uiteindelijke conclusie. Competente sprekers begrijpen het proces en de vaardigheden die het vereist. Een macrofunctie wordt gekenmerkt door zijn interactiestructuur. In meer complexe situaties kan sprake zijn van een interne structuur met aaneengeschakelde macrofuncties, die in veel gevallen zijn gerangschikt volgens formele of informele patronen van sociale interactie (schemata).

1. Microfuncties zijn categorieën voor het functionele gebruik van afzonderlijke (meestal korte) uitingen, gewoonlijk als beurtwissel in een interactie. Microfuncties worden tot op zekere hoogte (maar niet uitputtend) geclassificeerd in Threshold Level 1990, hoofdstuk 5:

1.1 feitelijke informatie geven en vragen:

  • identificeren
  • rapporteren
  • corrigeren
  • vragen
  • antwoorden

1.2 houdingen uitdrukken en ontdekken:

  • feitelijk (eens/oneens)
  • kennis (kennis/onwetendheid, onthouden, vergeten, waarschijnlijkheid, zekerheid)
  • modaliteit (verplichting, noodzaak, mogelijkheid, toestemming)
  • wilskracht (willen, wensen, bedoelingen, voorkeur)
  • emoties (vreugde/verdriet, voorkeur/afkeer, tevredenheid, belangstelling, verrassing, hoop, teleurstelling, angst, bezorgdheid, dankbaarheid)
  • moreel (verontschuldigingen, instemming, spijt, sympathie)

1.3 overredingskracht:

  • suggesties, verzoeken, waarschuwingen, advies, aanmoediging, hulpvragen, uitnodigingen, aanbiedingen

1.4 sociale interactie:

  • aandacht trekken, aanspreken, begroeten, voorstellen, een toost uitbrengen, afscheid nemen

1.5 gesprek structureren:

  • (28 microfuncties, openen, beurt nemen, afsluiten, enz.)
    • 1.6 communicatieherstel
      • (16 microfuncties)

2. Macrofuncties zijn categorieën voor het functionele gebruik van gesproken of geschreven tekst die bestaan uit een (soms uitgebreide) aaneenschakeling van zinnen, bijvoorbeeld:

  • beschrijving
  • vertelling
  • commentaar
  • expositie
  • exegese
  • verklaring
  • demonstratie
  • instructie
  • argumentatie
  • overreding, enz.

3. Interactieschemata

Functionele competentie omvat ook kennis en het vermogen om gebruik te maken van de schemata (patronen van sociale interactie) die aan communicatie ten grondslag liggen, zoals verbale

uitwisselingspatronen. De interactieve activiteiten, zoals geschetst in paragraaf 4.4.3, vereisen gestructureerde aaneenschakelingen van handelingen die door partijen om beurten worden verricht. In hun eenvoudigste vorm zijn het paren zoals:

vraag:antwoord
uitspraak:eens/oneens
verzoek/aanbod/excuses:aanvaard/niet aanvaard
begroeting/toost:respons

Series van drie, waarin de eerste spreker de reactie van de gespreksgenoot bevestigt of beantwoordt, zijn gebruikelijk. De paren en trio's zijn meestal ingebed in langere transacties en interacties. Zo wordt bijvoorbeeld in complexere, doelgerichte samenwerkingstransacties de taal gebruikt om indien nodig:

  • een werkgroep te vormen en de verhoudingen tussen de deelnemers vast te leggen;
  • gemeenschappelijke kennis vast te stellen van de relevante kenmerken van de actuele situatie en tot een gemeenschappelijke interpretatie te komen;
  • te identificeren wat er kan en moet worden veranderd;
  • overeenstemming te bereiken over doelstellingen en de acties die nodig zijn om die te bereiken;
  • het eens te worden over de rollen tijdens de uitvoering van de actie;
  • praktische kanten van de nodige acties te beheren, bijvoorbeeld door:
    • problemen te identificeren en op te lossen als ze zich voordoen;
    • bijdragen te coördineren en in volgorde te laten verlopen;
    • wederzijdse aanmoediging;
    • aan te geven wanneer subdoelen zijn gerealiseerd;
  • te herkennen wanneer de gehele taak is volbracht;
  • de transactie te evalueren;
  • de transactie te voltooien en te beëindigen.

Het gehele proces kan schematisch worden weergegeven. Een voorbeeld is het algemene schema voor de inkoop van goederen of diensten in Threshold Level 1990, hoofdstuk 8:

Algemeen schema voor de inkoop van goederen of diensten

  • 1. Naar plaats van transactie gaan
    • 1.1 Weg vinden naar winkel, warenhuis, supermarkt, restaurant, station, hotel, enz.
    • 1.2 Weg vinden naar toonbank, afdeling, tafel, loket, receptie, enz.
  • 2. Contact leggen
    • 2.1 Begroeting uitwisselen met winkelier/verkoper/ober/receptionist, enz.
      • 2.1.1 verkoper groet
      • 2.1.2 klant groet
  • 3. Goederen/diensten uitkiezen
    • 3.1 gewenste categorie goederen/diensten herkennen
      • 3.1.1 inlichtingen vragen
      • 3.1.2 inlichtingen geven
    • 3.2 keuzemogelijkheden identificeren
    • 3.3 Voor- en nadelen van keuzemogelijkheden bespreken (zoals kwaliteit, prijs,kleur, grootte)
      • 3.3.1 inlichtingen vragen
      • 3.3.2 inlichtingen geven
      • 3.3.3 advies vragen
      • 3.3.4 advies geven
      • 3.3.5 vragen naar voorkeur
      • 3.3.6 voorkeur uitspreken, enz.
    • 3.4 bepaalde gewenste goederen herkennen
    • 3.5 goederen onderzoeken
    • 3.6 overeenstemming bereiken over koop
  • 4. Goederen ruilen voor betaalmiddel
    • 4.1 prijzen overeenkomen
    • 4.2 totaalprijs overeenkomen
    • 4.3 betaling ontvangen/overhandigen
    • 4.4 goederen (en betalingsbewijs) ontvangen/overhandigen
    • 4.5 dank uitspreken
      • 4.5.1 verkoper bedankt
      • 4.5.2 klant bedankt
  • 5. Afscheid nemen.
    • 5.1 (wederzijdse) tevredenheid uitdrukken
      • 5.1.1 verkoper spreekt tevredenheid uit
      • 5.1.2 klant spreekt tevredenheid uit
    • 5.2 interpersoonlijk commentaar uitwisselen (bijvoorbeeld over het weer of een plaatselijk nieuwtje)
    • 5.3 afscheidsgroeten uitwisselen
      • 5.3.1 verkoper groet
      • 5.3.2 klant groet

N.B. Men dient te bedenken dat, net als bij soortgelijke schemata het geval is, de beschikbaarheid van dit schema voor winkelend publiek en verkopers niet betekent dat deze vorm in alle gevallen wordt toegepast. Vooral tegenwoordig wordt de taal nog maar sporadisch gebruikt, in het bijzonder om problemen af te handelen die ontstaan in een overigens gedepersonaliseerde en semi-automatische transactie, of om de transactie een menselijk gezicht te geven (zie paragraaf 4.1.1).

Het is niet haalbaar om toelichtende schalen te ontwikkelen voor alle competentiegebieden die worden geïmpliceerd door het begrip functionele competentie. Bepaalde microfunctionele activiteiten zijn in feite geschaald in de toelichtende schalen voor interactieve en productieve communicatieactiviteiten.

Twee generieke kwalitatieve factoren die het functionele succes van de taalleerder/taalgebruiker bepalen:

a) vloeiendheid, het vermogen om te articuleren, door te gaan en een oplossing te vinden wanneer men in een doodlopende straat belandt;
b) propositionele nauwkeurigheid, het vermogen om gedachten en stellingen zo te formuleren dat de betekenis duidelijk is.

Voor deze beide kwalitatieve aspecten zijn toelichtende schalen beschikbaar:

GESPROKEN VLOEIENDHEID

C2

Kan zich langere tijd uitdrukken met een natuurlijke, moeiteloze taalstroom zonder aarzelingen. Pauzeert alleen om na te denken over precies de juiste woorden om zijn of haar gedachten uit te drukken of om toepasselijk voorbeelden of verklaringen te vinden.

C1

Kan zich vrijwel moeiteloos vloeiend en spontaan uitdrukken. Slechts een begripsmatig moeilijk onderwerp kan een natuurlijke, vloeiende taalstroom hinderen.

Kan spontaan communiceren en vertoont daarbij vaak opmerkelijke vloeiendheid en uitdrukkingsgemak, ook in langere complexe teksten.

B2

Kan langere stukken tekst produceren in een redelijk gelijkmatig tempo; hoewel hij of zij kan aarzelen tijdens het zoeken naar patronen en uitdrukkingen, zijn er weinig merkbare pauzes. Kan zo vloeiend en spontaan reageren dat een normale uitwisseling met moedertaalsprekers mogelijk is zonder dat dit voor een van de partijen belasting met zich meebrengt.

B1

Kan zich betrekkelijk gemakkelijk uitdrukken. Ondanks enige problemen met formuleren, die tot pauzes en 'doodlopende wegen' leiden, kan hij of zij zonder hulp doeltreffend verder gaan.

Kan op verstaanbare wijze doorpraten, ook al pauzeert hij of zij regelmatig voor grammaticale en lexicale planning en er is heel duidelijk sprake van herstelacties, vooral in langere vrij geproduceerde stukken tekst.

A2

Kan zich in korte uitingen verstaanbaar maken, ondanks heel duidelijke onderbrekingen, valse starts en herformuleringen.

Kan frasen over vertrouwde onderwerpen met voldoende gemak construeren om korte interacties te hanteren, ondanks heel duidelijke aarzelingen en valse starts.

A1

Kan zeer korte, geïsoleerde, voornamelijk voorgekauwde uitingen hanteren, met veel onderbrekingen om naar uitdrukkingen te zoeken, minder vertrouwde woorden uit te spreken en de communicatie te herstellen.

PROPOSITIONELE NAUWKEURIGHEID

Kan fijnere betekenisnuances precies overbrengen door redelijk accuraat gebruik te maken van een breed scala van kwalificerende elementen (zoals bijwoorden van gradatie en beperkende bijzinnen).

C2

Kan nadruk geven, onderscheiden maken en dubbelzinnigheid wegnemen.

C1

Kan meningen en uitspraken precies kwalificeren met betrekking tot bijvoorbeeld de mate van zekerheid/onzekerheid, geloofwaardigheid/twijfel, waarschijnlijkheid, enzovoort.

B2

Kan gedetailleerde informatie betrouwbaar doorgeven.

Kan de hoofdpunten van een idee of probleem uitleggen met een redelijke mate van nauwkeurigheid.

B1

Kan simpele, directe informatie van onmiddellijk belang overbrengen en daarbij duidelijk maken welk punt hij of zij het belangrijkst vindt.

Kan de belangrijkste punten die hij of zij wil overbrengen, begrijpelijk verwoorden.

A2

Kan overbrengen wat hij of zij wil zeggen in een eenvoudige rechtstreekse uitwisseling van beperkte informatie over vertrouwde en alledaagse zaken, maar moet in andere situaties de boodschap meestal wat geweld aandoen.

A1

Geen descriptor beschikbaar

Gebruikers van dit Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:

  • welke gespreksaspecten de leerder zal moeten beheersen;
  • welke macrofuncties de leerder zal moeten kunnen produceren;
  • welke microfuncties de leerder zal moeten kunnen produceren;
  • welke interactieschemata de leerder nodig zal hebben;
  • welke hij of zij wordt verondersteld te beheersen en welke moeten worden onderwezen;
  • volgens welke beginselen macro- en microfuncties worden geselecteerd en geordend;
  • hoe de kwalitatieve voortgang in de pragmatische component kan worden gekarakteriseerd.