6.4.7 Ontwikkeling van talige competenties
De ontwikkeling van de linguïstische competenties van
de leerder is een centraal en onontbeerlijk aspect van het leren van talen. Hoe
kan deze ontwikkeling het beste worden bevorderd met betrekking tot
woordenschat, grammatica, uitspraak en orthografie?
6.4.7.1 Op welke van de volgende
manieren mogen we van leerders verwachten of eisen dat zij hun woordenschat ontwikkelen?
- door
eenvoudige blootstelling aan woorden en vaste uitdrukkingen die worden gebruikt
in authentieke gesproken en geschreven teksten?
- door
aansporing van de leerder of zoekacties in woordenboeken en dergelijke, wanneer
dat nodig is voor bepaalde taken en activiteiten?
- door
inbedding in context, bijvoorbeeld wanneer teksten uit studieboeken worden
hergebruikt in oefeningen, praktijkopdrachten, enzovoort?
- door woorden aan te bieden met begeleidende visuele elementen
(afbeeldingen, gebaren en mimiek, demonstraties, realia, enzovoort)?
- door
woordenlijsten met vertaalde equivalenten uit het hoofd te leren?
- door
semantische velden te onderzoeken en 'mind maps' te construeren,
enzovoort?
- door
training in het gebruik van eentalige en meertalige woordenboeken, thesauri en
andere naslagwerken?
- door uitleg over en training in de toepassing van lexicale
structuren (bijvoorbeeld woordvorming, samenstelling, collocatie, combinaties
van werkwoord en voorzetsel, idioom, enzovoort)?
- door min of meer
stelselmatige bestudering van de verschillen in semantische
verspreidingskenmerken tussen T1 en T2 (contrastieve semantiek)?
Gebruikers van het
Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden op
welke manieren onderdelen van de woordenschat (vorm en betekenis) worden
aangeboden aan en geleerd door leerders.
6.4.7.2 Omvang, bereik en controle van de woordenschat zijn
belangrijke parameters voor taalverwerving en daarom ook voor de beoordeling
van de taalvaardigheid van een leerder en voor de planning van het leren en
onderwijzen van talen.
Gebruikers van het Referentiekader
zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:
- welke omvang de woordenschat heeft (aantal woorden en
vaste uitdrukkingen) die de leerder moet beheersen;
- welk bereik de woordenschat heeft (de bestreken
domeinen, thema's en dergelijke) die de leerder moet beheersen;
- welke controle de leerder over de woordenschat moet
kunnen uitoefenen;
- of er (en zo ja, welk) onderscheid wordt gemaakt tussen leren
ten behoeve van herkenning en begrip, en leren ten behoeve van herinnering en
productief taalgebruik?
- in hoeverre er gebruik wordt gemaakt van
afleidingstechnieken? Hoe wordt de ontwikkeling daarvan bevorderd?
6.4.7.3 Lexicale
selectie
Makers van toetsen,
studieboeken en dergelijke moeten kiezen welke woorden zij in hun materiaal
opnemen. Opstellers van leerplannen en lesprogramma's hoeven dat niet te doen,
kunnen desgewenst wel richtlijnen geven in het belang van de transparantie en
samenhang van het onderwijsaanbod. Er zijn verscheidene opties:
- sleutelwoorden en -frasen
selecteren a) op thematische gebieden die van belang zijn voor de
communicatieve taken die de leerder naargelang zijn behoeften zou moeten kunnen
uitvoeren, b) die culturele verschillen en/of belangrijke waarden en
overtuigingen belichamen die worden gedeeld door de sociale groep(en) waarvan
de taal wordt geleerd;
- volgens
lexicaal-statistische principes de meest frequente woorden uit grote algemene
woordentellingen of tellingen voor beperkte thematische gebieden selecteren;
- (authentieke)
gesproken en geschreven teksten selecteren en alle woorden leren/onderwijzen
die daarin voorkomen;
- afzien
van geplande woordenschatontwikkeling en het vocabulaire organisch laten
groeien in reactie op de vraag van de leerders tijdens communicatietaken.
Gebruikers van het Referentiekader zouden kunnen
overwegen en indien van toepassing vermelden:
- volgens welk(e) beginsel(en) de lexicale selectie
heeft plaatsgevonden.
6.4.7.4 Grammaticale competentie,
het vermogen om zinnen zo te ordenen dat zij een betekenis uitdragen, is natuurlijk
een centraal aspect van communicatieve competentie en de meeste (maar niet
alle) mensen die betrokken zijn bij het plannen, onderwijzen en toetsen van
taal besteden veel aandacht aan het beheer van het proces waarmee grammatica
wordt geleerd. Dit omvat meestal de selectie, ordening en stapsgewijze
presentatie en oefening van nieuw materiaal, beginnend met korte zinnen die
bestaan uit één hoofdzin waarvan de zinsdelen worden gevormd door één woord
(bijvoorbeeld Tom is vrolijk) en eindigend met samengestelde zinnen met
meerdere bijzinnen – wier aantal, lengte en structuur natuurlijk onbegrensd
zijn. Hiermee is niet uitgesloten dat al vroeg analytisch complexe maar vaste
formules kunnen worden aangeboden, als onderdeel van de woordenschat, als vast
patroon om woorden in te voegen (mag ik alstublieft een . . .) of als de
globaal geleerde woorden van een liedje (Er staat een huis aan de gracht in
oud Amsterdam waar ik als jochie van acht bij grootmoeder kwam. Nu zit een
vreemde meneer in 't kamertje voor en ook die heerlijke zolder werd tot kantoor).
6.4.7.5 Inherente complexiteit is
niet het enige ordeningsprincipe dat moet worden beschouwd.
- Er moet rekening worden gehouden met de communicatieve
opbrengst van grammaticale categorieën, dat wil zeggen met datgene dat via
grammaticale aspecten kan worden uitgedrukt. Kunnen we leerders bijvoorbeeld
wel op zo'n manier laten vorderen dat zij na twee jaar studie niet in staat
zijn over ervaringen in het verleden te spreken?
- Contrastieve factoren zijn van groot belang bij de
beoordeling van de leerbelasting en daarmee van het rendement van verschillende
ordeningen. Ondergeschikte bijzinnen in het Duits leveren bijvoorbeeld grotere
moeilijkheden met de woordvolgorde op voor Engelse en Franse leerders dan voor
Nederlandse leerders. Maar sprekers van nauw verwante talen, zoals Nederlands
en Duits, of Tsjechisch en Slowaaks, kunnen dan weer in de valkuil van de
mechanische woordelijke vertaling trappen.
- Authentieke discourse en geschreven teksten kunnen tot op
zekere hoogte worden geclassificeerd naar grammaticale moeilijkheid, maar
zullen een leerder waarschijnlijk met nieuwe structuren en categorieën
confronteren, die gevorderde leerders best kunnen verwerven voor actief gebruik
voordat zij andere, meer basale structuren leren.
- De 'natuurlijke' volgorde van verwerving die wordt
waargenomen bij de taalontwikkeling van kinderen in T1, zou ook in overweging
kunnen worden genomen bij de planning van de T2-ontwikkeling.
Het Referentiekader is
geen vervanger van grammaticaboeken en kan geen strikte volgorde aandragen
(hoewel schalen tot selectie kunnen leiden en daardoor in algemene zin tot
enige ordening) maar verschaft een raamwerk waarbinnen de beslissingen van
gebruikers kunnen worden bekendgemaakt.
6.4.7.6 De zin wordt over het
algemeen beschouwd als het niveau van de grammaticale beschrijving. Toch kunnen
ook bepaalde relaties tussen zinnen (bijvoorbeeld door anaforen,
voornaamwoorden en het gebruik van zinsbijwoorden) eerder worden beschouwd als
onderdeel van de linguïstische dan van de pragmatische competentie (We dachten niet dat Lisa
zou zakken. Wel dus.).
Gebruikers van het
Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:
- op welke
basis grammaticale elementen, categorieën, structuren, processen en relaties
worden geselecteerd en geordend;
- hoe hun
betekenis wordt overgebracht aan leerders;
- welke
rol contrastieve grammatica speelt bij het onderwijzen en leren van talen;
- welke
relatief belang wordt gehecht aan bereik, vloeiendheid en correctheid met
betrekking tot de grammaticale opbouw van zinnen;
- in
hoeverre leerders bewust moeten worden gemaakt van de grammatica van (a) hun
moedertaal, (b) de doeltaal en (c) de grammaticale tegenstellingen tussen beide
talen.
6.4.7.7 Van leerders mag verwacht
of geëist worden dat zij hun grammaticale competentie ontwikkelen:
- op inductieve
wijze, door blootstelling aan nieuw grammaticaal materiaal in authentieke
teksten waarmee zij worden geconfronteerd;
- op inductieve wijze,
door nieuwe grammaticale elementen, categorieën, klassen, structuren, regels en
dergelijke op te nemen in teksten die speciaal zijn samengesteld om hun vorm,
functie en betekenis te demonstreren;
- als b, maar gevolgd
door uitleg en formele oefeningen;
- door de presentatie van formele paradigma's, tabellen met
vormen, enzovoort, gevolgd door uitleg in een geschikte metataal in T2 of T1 en
formele oefeningen;
- doordat de leerders
hypothesen worden ontlokt, die indien nodig kunnen worden geherformuleerd, enzovoort.
6.4.7.8 Als gebruik wordt gemaakt
van formele
oefeningen,
kunnen de volgende typen worden ingezet:
- invuloefeningen;
- zinsconstructie volgens een gegeven model;
- meerkeuzevragen;
- categorieën vervangen (bijvoorbeeld
enkelvoud/meervoud, tegenwoordige/verleden tijd, bedrijvend/lijdend,
enzovoort);
- zinnen samenvoegen (bijvoorbeeld met
betrekkelijke, bijwoordelijke en naamwoordelijke bijzinnen, enzovoort);
- vertaling van voorbeeldzinnen van T1 in T2;
- vragen en antwoorden met gebruikmaking van
bepaalde structuren;
- grammaticagerichte oefeningen op vloeiendheid.
Gebruikers van het
Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:
- hoe de
grammaticale structuur wordt
-
(a) geanalyseerd, geordend en gepresenteerd aan leerders
en
- (b) door hen wordt geleerd;
- hoe en
volgens welke beginselen lexicale, grammaticale en pragmatische betekenissen in T2 worden duidelijk gemaakt/ontlokt aan leerders, bijvoorbeeld:
- door vertalingen uit/in T1;
- door definities, uitleg en
dergelijke in T2;
- door inductie uit de context.
6.4.7.9 Uitspraak
Hoe worden leerders
geacht/verplicht het vermogen te ontwikkelen om de juiste uitspraak van een
taal te gebruiken?
- door
blootstelling aan authentieke gesproken uitingen;
- door het in koor nazeggen van
- de docent/leerkracht;
- op geluidsband opgenomen moedertaalsprekers;
- op video opgenomen moedertaalsprekers;
- door individueel werk in een taallaboratorium;
- door hardop fonetisch geschikt tekstmateriaal te lezen;
- door gehoortraining en fonetisch drillen;
- als d en e, maar met behulp van fonetische transcripties van teksten;
- door expliciete fonetische training (zie paragraaf 5.2.1.4);
- door orthoëpische conventies te leren (dat wil zeggen, hoe geschreven vormen
worden uitgesproken);
- door een combinatie van bovenstaande methoden.
6.4.7.10 Orthografie
Hoe worden leerders geacht/verplicht hun
vaardigheid in het omgaan met het schrijfsysteem van een taal te ontwikkelen?
- door eenvoudige overdracht vanuit T1;
- door
blootstelling aan authentieke geschreven teksten: i) gedrukt; ii) getypt; iii)
met de hand geschreven;
- door
het betrokken alfabet en de bijbehorende fonetische waarden uit het hoofd te
leren (bijvoorbeeld het Romeinse, Cyrillische of Griekse schrift waar het
alfabet afwijkt van T1), samen met diakritische tekens en leestekens;
- door schuinschrift te oefenen (met
inbegrip van Cyrillische of Gotische letters en dergelijke) en de kenmerkende
nationale handschriftconventies op te merken;
- door woordvormen (afzonderlijk of aan
de hand van spellingconventies) en regels voor leestekengebruik uit het hoofd
te leren;
- door dictees te oefenen.
Gebruikers
van het Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing
vermelden hoe de fonetische en orthografische vormen van woorden, zinnen en
dergelijke worden overgebracht op en geleerd door leerders.