Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

7.2.2 Omstandigheden en beperkingen

Naast de competenties en kenmerken van de taalgebruiker/leerder wordt taakuitvoering ook beïnvloed door bepaalde taakgebonden omstandigheden en beperkingen, en deze kunnen van taak tot taak verschillen. De docent/leerkracht of studieboekenschrijver kan een aantal elementen onder controle houden om de moeilijkheidsgraad van een taak naar boven of naar beneden bij te stellen.

Begripstaken kunnen zo worden ontworpen dat dezelfde input beschikbaar is voor alle leerders maar dat verschillende uitkomsten mogen worden verwacht in kwantitatieve (hoeveelheid informatie die vereist is) of kwalitatieve (verwachte prestatieniveau) zin. Maar het is ook mogelijk dat de tekst die als input fungeert verschillende hoeveelheden informatie of gradaties van cognitieve en/of structurele complexiteit bevat, of dat verschillende hoeveelheden ondersteuning (afbeeldingen, sleutelbegrippen, aanwijzingen, grafieken, diagrammen, enzovoort) beschikbaar zijn om de leerders te helpen. De input kan worden gekozen vanwege de relevantie voor de leerder (motivatie), of om redenen die buiten de leerder staan. Een tekst kan zo vaak als nodig worden beluisterd of gelezen, of daaraan kunnen beperkingen worden gesteld. De gewenste respons kan heel simpel (steek je hand op) of heel veeleisend (maak een nieuwe tekst) zijn. In het geval van interactie- en productietaken kunnen de uitvoeringsomstandigheden worden gemanipuleerd om een taak meer of minder veeleisend te maken, bijvoorbeeld door variatie aan te brengen in de hoeveelheid tijd die wordt gegeven voor de planning en realisatie, de duur van de interactie of productie, de mate van (on)voorspelbaarheid, de hoeveelheid en de soort ondersteuning, enzovoort.