7.3.2
Omstandigheden en beperkingen van taken
Een reeks factoren kan
worden gemanipuleerd met betrekking tot de omstandigheden en beperkingen van
taken in de klas gericht op:
- interactie
en productie;
- receptie.
7.3.2.1
Interactie en productie
Omstandigheden en
beperkingen die van invloed zijn op de moeilijkheidsgraad van interactie- en
productietaken:
- Ondersteuning
- Tijd
- Doel
- Voorspelbaarheid
- Fysieke
omstandigheden
- Deelnemers
Ondersteuning:
Het aanbieden van
toereikende informatie over contextuele kenmerken en de beschikbaarheid van
taalondersteuning kunnen de moeilijkheid van een taak helpen verminderen.
- hoeveelheid
aangeboden context: de taakuitvoering kan worden
vergemakkelijkt door het aanbieden van voldoende en relevante informatie over
deelnemers, rollen, inhoud, doelen, setting (met visuele elementen) en
relevante, heldere en toereikende aanwijzingen of richtlijnen voor de uitvoering
van de taak;
- mate
waarin taalondersteuning wordt geboden: tijdens
interactieve activiteiten helpt het oefenen van taken of de uitvoering van een
parallelle taak in een voorbereidende fase, alsmede het aanbieden van
taalondersteuning (sleutelwoorden en dergelijke), het opwekken van
verwachtingen en voorafgaande kennis, het activeren van ervaringen of verworven
schemata; off-line productie worden vanzelfsprekend vergemakkelijkt door de
aanwezigheid van hulpmiddelen zoals naslagwerken, relevante modellen en hulp
van anderen.
Tijd:
Hoe minder tijd er
beschikbaar is voor de voorbereiding en uitvoering van een taak, hoe
veeleisender de taak zal zijn. De volgende tijdsaspecten moeten hierbij in
ogenschouw worden genomen:
- tijd die
beschikbaar is voor voorbereiding, dat wil zeggen in hoeverre de
taak kan worden gepland of geoefend: tijdens spontane communicatie is
doelbewuste planning niet mogelijk en is voor een succesvolle taakuitvoering
derhalve een hoogontwikkeld en onderbewust gebruik van strategieën vereist; in
andere gevallen kan de leerder onder minder zware tijdsdruk staan en de
relevante strategieën op een hoger bewustzijnsniveau toepassen, bijvoorbeeld
wanneer de communicatieschemata tamelijk voorspelbaar zijn of vooraf bepaald
worden, zoals bij routinehandelingen, of wanneer er voldoende tijd is voor het
plannen, uitvoeren, evalueren en bewerken van de tekst, zoals gewoonlijk het
geval is bij interactietaken die geen onmiddellijke respons vergen
(correspondentie per brief) of off-line mondelinge of schriftelijke
productietaken;
- tijd die
beschikbaar is voor de uitvoering: hoe
groter de urgentie die inherent is aan de communicatieve situatie, of hoe
korter de tijd die leerders hebben om de taak uit te voeren, hoe hoger de druk
tijdens de taakuitvoering bij spontane communicatie; ook niet-spontane
interactie- of productietaken kunnen echter tijdsdruk veroorzaken, bijvoorbeeld
om te voldoen aan de uiterste termijn waarop een tekst moet zijn voltooid,
waardoor ook de voor planning, uitvoering, evaluatie en herstel beschikbare
tijd weer wordt verminderd;
- duur van
beurten: langere beurten zijn bij spontane interactie (bijvoorbeeld
het navertellen van een anekdote) gewoonlijk veeleisender dan korte beurten;
- duur van
de taak: onder dezelfde cognitieve factoren en
uitvoeringsomstandigheden stelt langdurige spontane interactie, een (complexe)
taak met vele stappen, of de planning en uitvoering van een lange gesproken of
geschreven tekst, waarschijnlijk hogere eisen dan een overeenkomstige taak van kortere
duur.
Doel:
Hoe meer onderhandeling
is vereist om de doelen van een taak te bereiken, hoe veeleisender de taak
waarschijnlijk zal zijn. Bovendien wordt het accepteren van diverse maar
aanvaardbare taakuitvoeringen bevorderd door de mate waarin de
docent/leerkracht en de leerders dezelfde verwachtingen ten aanzien van de
uitkomst van de taakuitkomst hebben.
- convergentie
of divergentie van taakdoelen: bij een interactietaak betekent een
convergerend doel gewoonlijk meer 'communicatiestress' dan een divergerend
doel, omdat het eerste de deelnemers verplicht één overeengekomen uitkomst te
bereiken (zoals consensus over een plan van aanpak), hetgeen aanzienlijke
onderhandelingen kan vergen tijdens de uitwisseling van informatie die
onontbeerlijk is voor succesvolle taakuitvoering, terwijl er in het laatste
geval niet één specifieke beoogde uitkomst is (bijvoorbeeld bij een eenvoudige
uitwisseling van standpunten);
- houdingen
van de leerder en de docent/leerkracht tegenover doelen: het bewustzijn
van de mogelijkheid en aanvaardbaarheid van verschillende uitkomsten bij de
docent/leerkracht en de leerder (anders dan het [wellicht onbewuste] streven
van de leerder naar één 'juiste' uitkomst) kan de taakuitvoering beïnvloeden.
Voorspelbaarheid:
Regelmatige veranderingen
in de taakparameters tijdens de taakuitvoering zullen de aan de
gesprekspartners gestelde eisen waarschijnlijk verhogen.
- binnen
een interactietaak verplicht de komst van een onverwacht element (nieuwe
gebeurtenis, omstandigheden, informatie, deelnemer) de leerder relevante
strategieën te activeren om de dynamiek van de nieuwe, complexere situatie te
hanteren; binnen een productietaak zal de ontwikkeling van een 'dynamische'
tekst (bijvoorbeeld een verhaal met regelmatige karakter- en scènewisselingen
of sprongen in de tijd) waarschijnlijk hogere eisen stellen dan de productie
van een 'statische' tekst (bijvoorbeeld de beschrijving van een verloren of
gestolen voorwerp).
Fysieke
omstandigheden:
Geluid kan de
verwerkingseisen tijdens interactie verzwaren:
- interferentie: achtergrondgeluid of een slechte telefoonlijn kan deelnemers
er bijvoorbeeld toe brengen om 'gaten' in de boodschap op te vullen op basis
van eerdere ervaringen, schematische kennis, gevolgtrekkingen en dergelijke.
Deelnemers:
Naast bovenstaande
parameters dient rekening te worden gehouden met uiteenlopende – gewoonlijk
niet te manipuleren – factoren bij het vaststellen van omstandigheden die de
makkelijkheid of moeilijkheid van interactietaken in het echte leven
beïnvloeden.
- bereidheid
tot samenwerking van de gesprekspartner(s): een meelevende
gesprekspartner bevordert succesvolle communicatie door taalgebruiker/leerder
ook een stuk van de controle over de interactie te geven, bijvoorbeeld bij het
bespreken en aanvaarden van veranderingen in doelen en bij het bevorderen van
begrip, bijvoorbeeld door positief te reageren op verzoeken om langzamer te
spreken of zaken te herhalen en te verduidelijken;
- spraakkenmerken
van gesprekspartners, zoals snelheid, accent, helderheid en samenhang;
- zichtbaarheid
van gesprekspartners (toegang tot paralinguïstische aspecten in een persoonlijk
gesprek vergemakkelijkt de communicatie);
- algemene
en communicatieve competenties van gesprekspartners, met
inbegrip van gedrag (mate van vertrouwdheid met de normen in een bepaalde
taalgemeenschap) en kennis van het onderwerp.
7.3.2.2 Receptie
Omstandigheden en
beperkingen die van invloed zijn op de moeilijkheidsgraad van begripstaken:
- Taakondersteuning
- Tekstkenmerken
- Vereiste
vorm van respons
Taakondersteuning
Met uiteenlopende vormen
van ondersteuning kan de mogelijke moeilijkheid van teksten worden verminderd.
Zo kan een voorbereidende fase richtinggevend werken en bestaande kennis
activeren, kunnen duidelijke aanwijzingen voor de taak mogelijke verwarring
helpen voorkomen en biedt een opzet waarbij in groepjes wordt gewerkt de
leerders mogelijkheden tot samenwerking en het elkaar helpen.
- voorbereidende
fase: het wekken van verwachtingen, het aanbieden van de nodige
achtergrondkennis, het activeren van schematische kennis en het filteren van
specifieke linguïstische moeilijkheden in een fase die voorafgaat aan het
beluisteren/bekijken of lezen, verminderen de verwerkingslast en daarmee de
eisen die de taak stelt; contextuele hulp kan ook worden geboden door vragen
bij een tekst te bestuderen (idealiter bij een geschreven tekst) en met
aanwijzingen zoals afbeeldingen, lay-out, koppen, enzovoort;
- taakinstructies:
eenvoudige, relevante en toereikende instructies bij een taak (niet te veel en
niet te weinig informatie) verminderen de kans op verwarring over de procedure
en de doelen van de taak;
- kleine
groepjes: voor bepaalde leerders, tragere leerders in het bijzonder
doch niet uitsluitend, is de kans op succesvolle voltooiing van de taak groter
wanneer in kleine groepjes wordt gewerkt, waarin samen wordt
geluisterd/gelezen, dan wanneer individueel wordt gewerkt. In groepjes kunnen
leerders immers de verwerkingslast delen en hulp en feedback van elkaar krijgen
bij het begrijpen van de tekst.
Tekstkenmerken
Bij het beoordelen of een
tekst geschikt is voor een bepaalde leerder of groep van leerders, moet men een
aantal zaken bekijken zoals de linguïstische complexiteit van de tekst, het
teksttype, de discoursestructuur, de fysieke presentatie, de tekstlengte en de
relevantie van de tekst voor de leerder.
- linguïstische
complexiteit: een bijzonder complexe zinsbouw neemt aandacht van de
leerder in beslag die anders beschikbaar zou zijn voor verwerking van de
inhoud; voorbeelden zijn lange zinnen met een aantal ondergeschikte bijzinnen,
discontinue zinsdelen, dubbele ontkenningen, een dubbelzinnig bereik en
terugverwijzende en aanwijzende elementen zonder duidelijk antecedent. Te veel
syntactische versimpeling van authentieke teksten kan echter tot gevolg hebben
dat de moeilijkheidsgraad juist verhoogd wordt (door het wegnemen van
redundantie, aanwijzingen voor de betekenis, enzovoort);
- teksttype:
vertrouwdheid met het genre en domein (en met de vooronderstelde achtergrond en
socio-culturele kennis) helpt de leerder bij het anticiperen op en het
begrijpen van de structuur en inhoud van de tekst, waarbij ook de concrete of
abstracte aard van de tekst een rol speelt; zo zullen concrete beschrijvingen,
aanwijzingen of verhalen (vooral met goede visuele ondersteuning)
waarschijnlijk minder eisen aan de leerder stellen dan abstracte betogen of
verklaringen;
- discoursestructuur: een
samenhangende tekst met een heldere ordening (bijvoorbeeld chronologisch, met
duidelijk gemarkeerde hoofdpunten die eerst worden gepresenteerd en later
worden geïllustreerd), informatie die meer expliciet dan impliciet wordt
gepresenteerd, de afwezigheid van tegenstrijdige of verrassende informatie, dat
alles draagt bij tot vermindering van de complexiteit van de
informatieverwerking;
- fysieke
presentatie: geschreven en gesproken teksten stellen uiteraard
verschillende eisen vanwege de noodzaak om gesproken tekst direct te verwerken.
Bovendien maken geluid, vervorming en interferentie (bijvoorbeeld zwakke radio-
of televisieontvangst of een slordig/vlekkerig handschrift) de tekst moeilijker
te begrijpen; in het geval van gesproken tekst (audio) geldt dat individuele
sprekers moeilijker te herkennen en te verstaan zijn naarmate er meer sprekers
en hun stemmen slechter te onderscheiden zijn; andere factoren die het
beluisteren/bekijken bemoeilijken zijn overlappende spraak, fonetische
reductie, niet-vertrouwde accenten, spreeksnelheid, monotonie, laag volume,
enzovoort;
- tekstlengte: in het
algemeen is een korte tekst minder veeleisend dan een lange tekst over een
soortgelijk onderwerp, omdat een langere tekst meer verwerking vereist en er
sprake is van meer geheugenbelasting, vermoeidheidsrisico en kans op afleiding
(vooral bij jongere leerders). Toch kan een langere tekst met een lage
informatiedichtheid en een aanzienlijke redundantie eenvoudiger zijn dan een
korte tekst die dezelfde informatie bevat;
- relevantie
voor de leerder: een goede motivatie om de tekst te begrijpen uit persoonlijk
belang bij de inhoud helpt de leerder zijn inspanningen om de tekst te
begrijpen vol te houden (hoewel daardoor het begrip niet noodzakelijkerwijs
direct wordt vergroot); hoewel het gebruik van weinig frequente woorden de
moeilijkheid van een tekst over het algemeen zal vergroten, is voor een
specialist op het desbetreffende terrein een tekst met een heel specifiek
vocabulaire over een vertrouwd en relevant onderwerp waarschijnlijk minder
veeleisend dan een tekst met een ruimere woordkeuze en van meer algemene aard,
zodat hij of zij de tekst met meer vertrouwen zal aanpakken.
Door leerders aan te
moedigen in een begripstaak hun persoonlijke kennis, ideeën en meningen te
uiten kan hun motivatie en vertrouwen worden vergroot en wordt hun
linguïstische competentie met betrekking tot de tekst geactiveerd. Ook
inbedding van een begripstaak in een andere taak kan helpen de taak
doelgerichter te maken en de betrokkenheid van de leerder te vergroten.
Vereiste responstype
Wanneer een tekst
betrekkelijk moeilijk is kan de aard van de respons dat de opgedragen taak
vereist worden gemanipuleerd om zo beter aan te sluiten bij de competenties en
kenmerken van de leerder. De opzet van een taak kan ook afhangen van de vraag
of de taak bedoeld is om begripsvaardigheden te ontwikkelen of het begrip te
toetsen. Het gevraagde responstype kan daardoor sterk variëren, zoals talrijke
typologieën van begripstaken illustreren.
Een begripstaak kan
algemeen of selectief begrip vereisen, of inzicht in belangrijke details. Sommige
taken kunnen van lezers/luisteraars eisen dat zij laten zien de belangrijkste,
duidelijk in de tekst vermelde informatie te hebben begrepen, terwijl bij
andere taken wordt verwacht dat zij de informatie kunnen afleiden. Een taak kan
summatief zijn (uit te voeren op basis van de complete tekst), of zo zijn
gestructureerd dat zij betrekking heeft op beheersbare eenheden (bijvoorbeeld
paragrafen) van de tekst, waardoor er minder een beroep wordt gedaan op het
geheugen.
De vereiste respons kan
non-verbaal (geen openlijk antwoord of een simpele handeling, zoals het
aankruisen van een afbeelding) of verbaal (mondeling of schriftelijk) zijn. In
het laatste geval moet bijvoorbeeld voor een bepaald doel informatie uit een
tekst worden herkend en gereproduceerd of moet de leerder bijvoorbeeld de tekst
afmaken of een nieuwe tekst produceren door middel van interactie- of
productietaken die eraan worden gerelateerd.
De tijd die voor de
respons wordt gegeven kan worden gevarieerd om de moeilijkheidsgraad van de taak
te verhogen of te verlagen. Hoe meer tijd een luisteraar of lezer krijgt om een
tekst opnieuw te beluisteren of te lezen, hoe meer kans er bestaat dat hij of
zij de tekst begrijpt en strategieën kan toepassen om begripsmoeilijkheden aan
te pakken.
Gebruikers van het
Referentiekader zouden kunnen overwegen en indien van toepassing vermelden:
- welke
beginselen zij hanteren voor de selectie en afweging van 'reële' en
'pedagogische' taken voor hun doeleinden, met inbegrip van de geschiktheid van
verschillende soorten taken in bepaalde leercontexten;
- welke
criteria zij hanteren voor de selectie van taken die doeltreffend en zinvol
zijn voor de leerder en een uitdagende maar realistische en haalbare opgave
vormen, de betrokkenheid van de leerder optimaliseren en verschillende
interpretaties en uitkomsten mogelijk maken;
- wat de
relatie is tussen taken die voornamelijk betekenisgericht zijn en
leerervaringen die specifiek gericht zijn op de vorm, waardoor de aandacht van
de leerder regelmatig en zinvol wordt gevestigd op beide aspecten in een
evenwichtige benadering van de ontwikkeling van correctheid en vloeiendheid;
- op welke
manier rekening wordt gehouden met de centrale rol van strategieën van de
leerder bij het verbinden van competenties en prestaties tijdens de succesvolle
uitvoering van uitdagende taken onder wisselende omstandigheden en beperkingen
(zie paragraaf 4.4); op welke manieren een succesvolle taakuitvoering en
succesvol leren worden bevorderd (met inbegrip van activering van bestaande competenties
van de leerder in een voorbereidende fase);
- welke
criteria en opties worden gehanteerd voor de selectie van taken en indien
gewenst het manipuleren van taakparameters om de moeilijkheid van de taak aan
te passen aan de uiteenlopende en zich ontwikkelende competenties van leerders
en de diversiteit van hun kenmerken (vaardigheid, motivatie, behoeften,
belangen);
- hoe het
waargenomen moeilijkheidsniveau van een taak zou kunnen worden verdisconteerd
in de evaluatie van succesvol afgeronde taken en in de (zelf)beoordeling van de
communicatieve competentie van de leerders (zie hoofdstuk 9).