Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

9.3.1 Voortgangstoetsing/Vaardigheidstoetsing

Voortgangstoetsing richt zich op het bereiken van bepaalde doelstellingen – toetsing van wat is onderwezen. Het heeft dan ook betrekking op in een week/semester verrichte activiteiten, het studieboek, de syllabus. Voortgangstoetsing is gericht op de opleiding vanuit een intern perspectief.

Vaardigheidstoetsing daarentegen is de toetsing van wat iemand kan/weet te doen met deze kennis/kunde in de praktijk. Dit geeft een extern perspectief.

Docenten/leerkrachten zijn van nature meer geïnteresseerd in voortgangstoetsing omdat zij graag feedback op hun onderwijs krijgen. Werkgevers, beleidsmakers in het onderwijs en volwassen leerders zijn eerder geïnteresseerd in vaardigheidstoetsing: het beoordelen van wat de leerder nu kan. Het voordeel van een voortgangsbenadering is dat deze nauw aansluit bij de ervaring van het leren. Het voordeel van een vaardigheidsbenadering is dat iedereen weet hoe hij of zij ervoor staat; de resultaten zijn duidelijk.

Bij communicatieve toetsen in een op behoeften gerichte onderwijs- en leeromgeving valt aan te voeren dat het onderscheid tussen prestatie (gericht op de inhoud van de opleiding) en vaardigheid (gericht op het continuüm van vaardigheid in de realiteit) idealiter klein moet zijn. Voor zover een voortgangstoetsing praktisch taalgebruik toetst in relevante situaties en een evenwichtig beeld wil geven van competentie, bevat deze een vaardigheidselement. Voor zover een vaardigheidstoetsing bestaat uit talige en communicatieve opdrachten – gebaseerd op een transparante, relevante syllabus - waarbij nagegaan wordt of leerders zich een lesprogramma eigen hebben gemaakt, bevat de toets ook een voortgangselement.

De schalen van toelichtende descriptoren hebben betrekking op toetsing van de taalvaardigheid in het dagelijkse realiteit. Het belang van voortgangstoetsen als versterkers van leren wordt besproken in hoofdstuk 6.