Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

9.3.4 Permanente toetsing/periodieke toetsing

Bij permanente toetsing beoordelen docenten/leerkrachten mogelijk de leerders zelf een klassikale prestaties, werkstukken en projecten gedurende de opleiding. Het eindcijfer heeft dan ook betrekking op het hele programma/jaar/semester.

Bij periodieke toetsing worden cijfers toegekend en beslissingen genomen op basis van een examen of andere toetsing die plaatsvindt op een bepaalde dag, doorgaans aan het einde van de opleiding of vóór het begin ervan. Wat eraan vooraf is gegaan, is niet van belang; het gaat er om wat de kandidaat nú kan.

Toetsing wordt vaak gezien als iets buiten de opleiding dat plaatsvindt op vaste tijdstippen en als grondslag dient voor beslissingen. Permanente toetsing is een vorm van toetsing die integraal deel uitmaakt van de opleiding en die op cumulatieve wijze bijdraagt aan de eindtoetsing. Behalve het corrigeren van huiswerk en incidentele of regelmatige voortgangstoetsen om het leren te versterken kan permanente toetsing de vorm aannemen van checklists/rasters die door docenten/leerkrachten en/of leerders worden ingevuld, toetsing naar aanleiding van een reeks gerichte taken, formele toetsing van werkstukken en/of het samenstellen van een portfolio met een selectie van werkstukken, eventueel in verschillende fasen van voltooiing en/of op verschillende momenten in de opleiding.

Beide benaderingen hebben voor- en nadelen. Periodieke toetsing garandeert dat mensen nog altijd in staat zijn dingen te doen die misschien twee jaar geleden deel uitmaakten van het studieprogramma. Maar het leidt tot examenstress en bevoordeelt bepaalde typen leerders. Permanente toetsing houdt meer rekening met creativiteit en uiteenlopende sterkten, maar staat of valt met het vermogen van de docent/leerkracht om objectief te zijn. In extreme gevallen kan zij het leven tot één lange, eindeloze toets voor de leerder en tot een bureaucratische nachtmerrie voor de docent/leerkracht maken.

Checklists met criteriumuitspraken waarin de vaardigheid ten aanzien van communicatieve activiteiten wordt beschreven (hoofdstuk 4) kunnen nuttig zijn bij permanente toetsing. Beoordelingsschalen gebaseerd op descriptoren worden ontwikkeld voor vaardigheidsaspecten (hoofdstuk 5) en kunnen worden gebruikt om cijfers toe te kennen bij periodieke toetsing.