Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

9.3.6 Directe toetsing/indirecte toetsing

Directe toetsing is gericht op wat de kandidaat daadwerkelijk doet. Een kleine groep bespreekt iets, de beoordelaar observeert, vergelijkt met een raster van criteria, plaatst de prestaties bij de meest toepasselijke categorieën op het raster en geeft een oordeel.

Bij indirecte toetsing daarentegen worden praktische vaardigheden beoordeeld aan de hand van een veelal schriftelijke toets.

Directe toetsing is in feite beperkt tot spreken, schrijven en luisteren in interactie, omdat een receptieve activiteit nooit rechtstreeks zichtbaar is. Lezen kan bijvoorbeeld alleen indirect worden beoordeeld, waarbij begrip wordt getoetst door leerders vakjes aan te laten kruisen, zinnen af te laten maken, vragen te laten beantwoorden, enzovoort. Het taalrepertoire en de taalbeheersing kunnen direct worden beoordeeld door na te gaan in hoeverre de vaardigheden overeenkomen met criteria, maar ook indirect, door te interpreteren en te generaliseren naar aanleiding van de antwoorden op toetsvragen. Een klassieke directe toets is een vraaggesprek; een klassieke indirecte toets is de cloze-toets.

Descriptoren zoals in hoofdstuk 5, die verschillende competentieaspecten op verschillende niveaus definiëren, kunnen worden gebruikt om toetsingscriteria op te stellen voor directe toetsen. Verder kunnen de parameters in hoofdstuk 4 als voorbeeld dienen bij het kiezen van onderwerpen, teksten en taken voor het direct toetsen van de productieve vaardigheden en het indirect toetsen van luister- en leesvaardigheden. De parameters in hoofdstuk 5 kunnen daarnaast dienst doen bij het vaststellen van belangrijke linguïstische vaardigheden in een indirecte toets van talenkennis, en van belangrijke pragmatische, sociolinguïstische en linguïstische competenties die centraal moeten staan bij het formuleren van vragen voor toetsen van de vier vaardigheden.