Het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader - online versie

9.3.7 Taalgedragtoetsing/kennistoetsing

Bij taalgedragtoetsing moet de leerder een schriftelijke of mondelinge 'proeve van vaardigheid' afleggen in een directe toets.

Bij kennistoetsing moeten leerders vragen beantwoorden die betrekking kunnen hebben op uiteenlopende onderdelen om zicht te krijgen op hun taalkennis en -beheersing. Helaas zijn competenties nooit direct te toetsen. Het enige waarop men af kan gaan is een reeks prestaties, op basis waarvan wordt getracht algemene conclusies te trekken over taalvaardigheid. Taalvaardigheid kan worden beschouwd als een competentie die in de praktijk wordt gebracht. In die zin beoordelen alle toetsen dan ook slechts taalgedrag, ofschoon men kan proberen hieruit onderliggende competenties af te leiden.

Een vraaggesprek vereist echter meer taalgedrag dan alleen gaten invullen in zinnen, en gaten invullen vereist weer meer taalgedrag dan meerkeuzevragen. In deze betekenis verwijst het woord taalgedrag naar de productie van taal. Maar het woord taalgedrag wordt in engere zin gebruikt bij de term taalgedragtoetsing. Hier staat het voor relevant taalgedrag in een (vrij) authentieke en vaak werk- en studiegebonden situatie. In een iets losser gebruik van de term taalgedragtoetsing kunnen spreekvaardigheidstoetsen worden opgevat als taalgedragtoetsen aangezien ze vaardigheid afleiden uit taalgedrag op een aantal tekstsoorten die relevant worden geacht bij de leercontext en behoeften van de leerders. Sommige toetsen beoordelen behalve taalgedrag ook kennis van de taal als systeem; bij andere is dat niet het geval.

Dit onderscheid lijkt sterk op dat tussen directe en indirecte toetsen. Het Referentiekader kan op vergelijkbare wijze worden gebruikt. Daarnaast bieden de door de Raad van Europa ontwikkelde specificaties voor verschillende niveaus (Waystage, Threshold, Vantage) de nodige details over kennis van de doeltaal in de talen waarvoor ze beschikbaar zijn.