Bijlage B. Illustratieve descriptorschalen
In deze bijlage wordt het Zwitserse project beschreven waarbinnen de illustratieve descriptoren voor het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader zijn ontwikkeld. Ook de geschaalde categorieën worden vermeld, met verwijzingen naar de pagina's waar ze in het hoofddocument te vinden zijn. De descriptoren in dit project zijn geschaald en gebruikt om de niveaus in het Referentiekader te definiëren met de in bijlage A geschetste methode 12c (het Rasch-model).
Het Zwitserse onderzoeksproject
Oorsprong en context
De in hoofdstuk 3, 4 en 5 opgenomen descriptorschalen zijn opgesteld op basis van de uitkomsten van een project van de Zwitserse Raad voor Wetenschappelijk Onderzoek dat is uitgevoerd tussen 1993 en 1996. Dat project was een uitvloeisel van het Rüschlikon-symposium in 1991. Doel was de ontwikkeling van doorzichtige vaardigheidsuitspraken over verschillende aspecten van het beschrijvende schema van het Referentiekader, die ook zouden kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van een Europese Taalportfolio.
Een studie in 1994 concentreerde zich op interactie en productie en bleef beperkt tot Engels als vreemde taal en tot oordelen van docenten/leerkrachten. Tijdens een studie in 1995 werd die van 1994 deels herhaald, aangevuld met het onderwerp 'receptie' en de talen Frans en Duits. Aan de beoordeling door docenten/leerkrachten werd zelfevaluatie toegevoegd, alsmede enige examengegevens (Cambridge; Goethe; DELF/DALF).
In totaal waren bijna 300 docenten/leerkrachten en circa 2800 leerders uit zo'n 500 klassen bij de twee studies betrokken. Leerders uit de onderbouw en de bovenbouw van het middelbaar onderwijs, het beroepsonderwijs en het volwassenenonderwijs waren in de volgende verhoudingen vertegenwoordigd:
Onderbouw MO |
Bovenbouw MO |
Beroepsonderwijs |
Volwassenenonderwijs |
|
1994 |
35% |
19% |
15% |
31% |
1995 |
24% |
31% |
17% |
28% |
Er waren docenten/leerkrachten uit de Duits, Frans, Italiaans en Reto-Romaans sprekende taalregio's van Zwitserland bij de studies betrokken, hoewel het aantal uit de Italiaans en Reto-Romaans sprekende gebieden zeer beperkt was. In elk van beide jaren gaf ongeveer een kwart van hen les in zijn of haar moedertaal. Zij vulden vragenlijsten in de doeltaal in. Daarom werden de descriptoren in 1994 alleen in het Engels en in 1995 in het Engels, Frans en Duits ingevuld.
Methodiek
In het kort was de methodiek van het project de volgende:
Intuïtieve fase:
Kwalitatieve fase:
Kwantitatieve fase:
Interpretatiefase:
Resultaten
Het schalen van descriptoren voor verschillende vaardigheden en voor verschillende soorten competenties (linguïstische, pragmatische, sociaal-culturele) wordt bemoeilijkt door de vraag of beoordelingen van deze verschillende aspecten wel of niet kunnen worden gecombineerd tot één meetbare dimensie. Deze moeilijkheid wordt niet veroorzaakt door of uitsluitend toegeschreven aan de Rasch-methode maar geldt voor alle statistische analyses. Rasch vormt echter een streng model. Testgegevens, beoordelingsgegevens van docenten/leerkrachten en zelfbeoordelingsgegevens kunnen zich in dit opzicht verschillend gedragen. Bij de beoordeling door docenten/leerkrachten in dit project waren bepaalde categorieën minder succesvol dan andere zodat zij moesten worden verwijderd uit de analyse om de correctheid van de uitkomsten niet in gevaar te brengen. Tot de categorieën uit de oorspronkelijke serie descriptoren die zijn afgevallen, behoren de volgende:
Kan over het algemeen heldere, tot hem of haar gerichte gesproken standaardtaal begrijpen over vertrouwde zaken, mits hij of zij af en toe om herhaling of herformulering kan vragen.
Lezen bleek zich voor deze docenten/leerkrachten in een andere dimensie af te spelen dan gesproken interactie en productie. Toch bleek de wijze van gegevens verzamelen het mogelijk te maken het lezen apart te schalen en vervolgens de leesschaal te vergelijken met de hoofdschaal. Schrijven was geen speerpunt van de studie en de in hoofdstuk 4 opgenomen descriptoren voor geschreven productie zijn voornamelijk ontwikkeld vanuit die voor gesproken productie. De door DIALANG en ALTE gerapporteerde (zie respectievelijk bijlage C en bijlage D) relatief stabiele schaalwaarden voor lees- en schrijfdescriptoren uit het Referentiekader, suggereren echter dat de voor lezen en schrijven gekozen benaderingen redelijk doeltreffend waren.
De beschreven complicaties met de categorieën hebben alle betrekking op het schaalprobleem van een- versus meerdimensionaliteit. Meerdimensionaliteit blijkt ook op een tweede manier met betrekking tot de populatie van leerders wier vaardigheid wordt beschreven. In een aantal gevallen was de moeilijkheid van de descriptor afhankelijk van de onderwijssector. Zo vinden volwassen beginners volgens hun docenten/leerkrachten opdrachten 'in het echte leven' significant gemakkelijker dan veertienjarigen. Dat lijkt intuïtief een redelijk oordeel. Dergelijke variatie wordt een 'Differential Item Function' (DIF) genoemd. Voor zover mogelijk zijn descriptoren met DIF vermeden bij het opstellen van de samenvattingen voor de Gemeenschappelijke Referentieniveaus in de tabellen 1 en 2 in hoofdstuk 3. Er waren zeer weinig significante effecten van de doeltaal, en geen van de moedertaal, met uitzondering van de indruk dat wie in zijn of haar moedertaal onderwijst wellicht een strengere interpretatie van het woord 'begrijpen' hanteert op gevorderde niveaus, in het bijzonder ten aanzien van literatuur.
Praktijk
De illustratieve descriptoren in de hoofdstukken 4 en 5 zijn (a) op het niveau gepositioneerd waarop de feitelijke descriptor empirisch is gekalibreerd in de studie, (b) op dat niveau samengesteld uit elementen van aldus gekalibreerde descriptoren (voor enkele categorieën zoals Openbare mededelingen die niet in de oorspronkelijke studie voorkwamen), (c) geselecteerd op basis van de uitkomsten van de kwalitatieve fase (workshops) of (d) geschreven tijdens de interpretatiefase om een gat in de empirisch gekalibreerde subschaal te dichten. Dit laatste punt is bijna helemaal van toepassing op Beheersing, waarvoor erg weinig descriptoren in de studie waren opgenomen.
Vervolg
In een project van de universiteit van Bazel (1999–2000) zijn de descriptoren van het Referentiekader als basis gebruikt voor een zelfbeoordelingstoets bij toelating tot de universiteit. Daarbij werden ook descriptoren toegevoegd voor sociolinguïstische competentie en voor het maken van aantekeningen in een universitaire context. De nieuwe descriptoren werden geschaald op de niveaus van het Referentiekader met dezelfde methodiek die in het oorspronkelijke project was toegepast. Ze zijn opgenomen in deze editie van het Referentiekader. De correlatiecoëfficiënt tussen de oorspronkelijke schaalwaarden van de descriptoren van het Referentiekader en hun waarden in deze studie bedroeg 0,899.
Literatuur
North, B. 1996/2000: The development of a common framework scale of language proficiency. Dissertatie, Thames Valley University. Herdruk 2000, New York, Peter Lang.
In voorbereiding: Developing descriptor scales of language proficiency for the CEF Common Reference Levels. In J.C. Alderson (red.) Case studies of the use of the Common European Framework. Raad van Europa.
In voorbereiding: A CEF-based self-assessment tool for university entrance. In J.C. Alderson (red.) Case studies of the use of the Common European Framework. Raad van Europa. North, B. en Schneider, G. 1998: Scaling descriptors for language proficiency scales. Language Testing 15/2: 217–262.
Schneider en North 1999: 'In anderen Sprachen kann ich' . . . Skalen zur Beschreibung, Beurteilung und Selbsteinschätzung der fremdsprachlichen Kommunikationsfähigkeit. Bern, Projectverslag National Onderzoeksprogramma 33, Zwitserse Raad voor Wetenschappelijk Onderzoek.
De descriptoren in het Referentiekader
In aanvulling op de tabellen in hoofdstuk 3, waarin de Gemeenschappelijke Referentieniveaus zijn samengevat, zijn de volgende illustratieve descriptoren her en der in de tekst van de hoofdstukken 4 en 5 opgenomen:
Document B1. Illustratieve schalen in hoofdstuk 4: Communicatieve activiteiten
R E C E P T I E |
Gesproken |
|
Audiovisueel |
|
|
Geschreven |
|
|
I N T E R A C T I E |
Gesproken |
|
Geschreven |
|
|
P R O D U C T I E |
Gesproken |
|
Geschreven |
|
Document B2. Illustratieve schalen in hoofdstuk 4: Communicatiestrategieën
RECEPTIE |
Aanwijzingen identificeren en daaruit interpretaties afleiden |
INTERACTIE |
Het woord (de beurt) nemen Samenwerken Vragen om opheldering |
PRODUCTIE |
Planning Compensatie Monitoring en herstel |
TEKST
Document B4. Illustratieve schalen in hoofdstuk 5: Communicatieve taalcompetentie
LINGUÏSTISCH |
Bereik: Beheersing: |
|
SOCIOLINGUÏSTISCH |
|
|
PRAGMATISCH |
|
Document B5. Samenhang in de kalibratie van descriptoren
De plaats waar een bepaalde descriptor op de schaal verschijnt, vertoont een hoge mate van samenhang. Laten we als voorbeeld 'onderwerpen' nemen. Er zijn geen descriptoren voor onderwerpen opgenomen, maar er wordt wel naar onderwerpen verwezen in verschillende categorieën van descriptoren. De drie meest relevante categorieën waren Beschrijven en vertellen, Informatie-uitwisseling en Bereik.
In het volgende diagram is te zien hoe op deze drie gebieden wordt omgegaan met onderwerpen. Hoewel de inhoud van de drie diagrammen niet identiek is, wordt bij vergelijking een grote mate van samenhang zichtbaar, die in alle gekalibreerde descriptoren wordt weerspiegeld. Dit soort analyse is de basis geweest voor het samenstellen – door elementen te combineren – van descriptoren voor categorieën die niet in de oorspronkelijke studie waren opgenomen (zoals Openbare mededelingen).
BESCHRIJVEN EN VERTELLEN: |
|||||
A1
|
A2
|
B1
|
B2 |
C1
|
C2 |
INFORMATIE-UITWISSELING: |
|||||
A1
|
A2
|
B1
|
B2 |
C1 |
C2 |
BEREIK: KENMERKEN: |
|||||
A1 |
A2
|
B1
|
B2 |
C1 |
C2 |
Document B4. Als bron gebruikte taalvaardigheidsschalen
Holistische schalen voor algemene spreekvaardigheid
Schalen voor verschillende communicatieve activiteiten
Schalen voor de vier vaardigheden
Schalen voor mondelinge beoordeling
Kaders voor de inhoud van lesprogramma's en voor beoordelingscriteria van pedagogische voortgangsfasen