Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Gemeenschappelijk Europees referentiekader

U bent hier: start » onderwijs » europees referentiekader

Bijlage C. De DIALANG-schalen

Deze bijlage bevat een beschrijving van DIALANG, het systeem voor taaltoetsing en -beoordeling dat een diagnostische toepassing vormt van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader. De nadruk ligt hier op de uitspraken voor zelfevaluatie en op de kalibratie die daarop is uitgevoerd in de ontwikkelingsfase van het systeem. Twee gerelateerde beschrijvende schalen, gebaseerd op het Referentiekader en gebruikt voor het rapporteren en verklaren van diagnostische resultaten aan de leerders, zijn in deze bijlage opgenomen. De descriptoren in dit project zijn geschaald en vergeleken met de niveaus in het Referentiekader met behulp van de in bijlage A geschetste methode 12c (het Rasch-model).

Het DIALANG-project

Het DIALANG-beoordelingssysteem

DIALANG is een beoordelingssysteem dat is ontworpen voor taalleerders die diagnostische informatie willen hebben over hun taalvaardigheid. Het DIALANG-project wordt uitgevoerd met financiële steun van het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur van de Europese Commissie (SOCRATES-programma, LINGUA D).

Het systeem bestaat uit zelfevaluatie, taaltoetsen en feedback en is beschikbaar in veertien Europese talen: Deens, Duits, Engels, Fins, Frans, Grieks, Iers, IJslands, Italiaans, Nederlands, Noors, Portugees, Spaans en Zweeds. DIALANG wordt gratis aangeboden via internet.

Het beoordelingskader van DIALANG en de beschrijvende schalen die worden gebruikt om de resultaten aan de gebruikers te melden, zijn rechtstreeks afgeleid van het Referentiekader. De uitspraken voor zelfevaluatie in DIALANG zijn eveneens grotendeels overgenomen uit het Referentiekader en waar nodig aangepast aan de specifieke vereisten van het systeem.

Bedoeling van DIALANG

DIALANG is bedoeld voor volwassenen die willen weten wat het niveau van hun taalvaardigheid in een vreemde taal is en die feedback willen krijgen over de sterke en zwakke punten in hun beheersing van die taal. Het systeem biedt leerders ook adviezen voor verbetering van hun taalvaardigheid en tracht bovendien hun bewustzijn van taalleren en -taalvaardigheid te vergroten. DIALANG verstrekt geen certificaten.

De voornaamste gebruikers van het systeem zijn individuele leerders die zelfstandig of door middel van formeel taalonderwijs een taal leren. Ook taaldocenten/leerkrachten zullen echter veel van de functies van het systeem voor hun doeleinden kunnen gebruiken.

Beoordelingsprocedure in DIALANG

De beoordelingsprocedure van DIALANG bestaat uit de volgende stappen:

  1. Keuze van de taal waarin instructies en feedback verschijnen (14 mogelijkheden)
  2. Inschrijving
  3. Keuze van de taal die moet worden getoetst (14 mogelijkheden)
  4. Plaatsingstoets om de omvang van de woordenschat te bepalen
  5. Keuze van de te toetsen vaardigheid (lezen, luisteren, schrijven, woordenschat, structuren)
  6. Zelfevaluatie (alleen voor lezen, luisteren en schrijven)
  7. Het systeem maakt een eerste inschatting van de vaardigheden van de leerder
  8. Er wordt een toets van de juiste moeilijkheidsgraad aangeboden
  9. Feedback

 

Nadat zij het systeem hebben geopend kiezen de leerders eerst de taal waarin zij instructies en feedback wensen te ontvangen. Na inschrijving krijgen gebruikers vervolgens een plaatsingstoets gepresenteerd waarmee de omvang van hun woordenschat wordt bepaald. Nadat zij de vaardigheid hebben gekozen waarop zij willen worden getoetst, krijgen de gebruikers een aantal uitspraken voorgelegd die zij zelf moeten beoordelen. Daarna verschijnt de toets die zij hebben geselecteerd. De uitspraken voor zelfevaluatie hebben betrekking op de vaardigheid in kwestie en de leerder moet telkens besluiten of hij of zij de in een uitspraak genoemde handeling kan uitvoeren. Zelfevaluatie is niet beschikbaar voor de beide andere vaardigheden die in DIALANG kunnen worden getoetst, woordenschat en structuren, omdat daarvoor geen bronuitspraken bestaan in het Referentiekader. Na de toets krijgen de leerders in het kader van de feedback te zien of hun zelf vastgestelde vaardigheidsniveau afwijkt van het vaardigheidsniveau dat door het systeem aan hen is toegekend op grond van de toetsuitslag. Gebruikers wordt tevens de kans geboden mogelijke oorzaken van een verschil tussen de zelfevaluatie en de toetsuitslag te analyseren aan de hand van uitleg en adviezen.

Bedoeling van zelfevaluatie in DIALANG

Uitspraken voor zelfevaluatie worden in het DIALANG-systeem om twee redenen gebruikt. Ten eerste wordt zelfevaluatie op zichzelf als een belangrijke activiteit beschouwd. Beoordeling van de eigen taalvaardigheid zou het autonome leren bevorderen, leerders meer controle geven over hun leren en hun bewustzijn van het leerproces vergroten.

Het tweede doel van zelfevaluatie in DIALANG is meer 'technisch' van aard: het systeem gebruikt de plaatsingstoets en de uitkomsten van de zelfevaluatie om een inschatting te maken van de vaardigheid van de leerders en leidt hen vervolgens naar de toets waarvan de moeilijkheidsgraad het best overeenstemt met hun vaardigheid.

 

De DIALANG-schalen voor zelfevaluatie

Bron

De meeste in DIALANG gebruikte uitspraken voor zelfevaluatie zijn afkomstig uit de Engelse versie van het Referentiekader (concept 2, 1996). In dit opzicht is DIALANG een rechtstreekse toepassing van het Referentiekader voor beoordelingsdoeleinden.

Kwalitatieve ontwikkeling

De DIALANG-werkgroep voor zelfevaluatie[1] heeft in 1998 alle uitspraken in het Referentiekader onder de loep genomen en die uitspraken geselecteerd die het meest concreet, helder en simpel leken. Ook de empirische bevindingen van North (1996/2000) werden geraadpleegd. Er werden meer dan honderd uitspraken geselecteerd voor lezen, luisteren en schrijven. Bovendien werden er uitspraken over spreken gekozen, maar omdat spreken geen deel uitmaakt van het huidige DIALANG-systeem, werden deze uitspraken niet meegenomen in de hierna beschreven validatiestudie en daarom ook niet opgenomen in deze bijlage.

De formulering van de uitspraken werd veranderd van 'Kan…' in 'Ik kan…' omdat ze bedoeld waren voor zelfevaluatie door de leerder en niet voor beoordeling door een docent/leerkracht. Sommige uitspraken werden bewerkt om ze verder te vereenvoudigen en geschikter te maken voor de beoogde gebruikers. Ook werden enkele nieuwe uitspraken ontwikkeld wanneer het Referentiekader onvoldoende materiaal bevatte dat als basis kon dienen (de nieuwe uitspraken staan cursief in de tabellen). Alle uitspraken zijn gecontroleerd door dr. Brian North, de opsteller van de uitspraken in het Referentiekader, en door een groep van vier taaltoets- en onderwijsdeskundigen voordat de uiteindelijke formulering van de uitspraken werd overeengekomen.

Vertaling

Omdat DIALANG een meertalig systeem is, moesten de uitspraken voor zelfevaluatie vervolgens uit het Engels worden vertaald in de overige dertien talen. Het vertaalwerk verliep volgens een afgesproken procedure. Er werden richtlijnen voor vertaling en onderhandeling overeengekomen, waarbij de begrijpelijkheid voor de leerders als belangrijk kwaliteitscriterium gold. Eerst vertaalden twee of drie deskundigen per taal de uitspraken in hun eigen taal, onafhankelijk van elkaar, waarna zij bijeenkwamen om verschillen te bespreken en het eens te worden over één formulering. De vertalingen werden naar de werkgroep voor zelfevaluatie gestuurd, waarvan de leden over de linguïstische vaardigheden beschikten om een aanvullende controle op de kwaliteit van de vertalingen in negen talen uit te voeren. In overleg met de vertalers werden alle vragen over formuleringen besproken en aanpassingen overeengekomen.

Kalibratie van de uitspraken voor zelfevaluatie

Tot nu toe is in het DIALANG-project één kalibratiestudie uitgevoerd met de uitspraken voor zelfevaluatie. (Kalibratie is een procedure waarmee op statistische wijze de moeilijkheid van onderdelen, uitspraken en dergelijke wordt vastgesteld en daarvoor een schaal wordt geconstrueerd.) De kalibratie was gebaseerd op een steekproef met 304 respondenten (volledige test) die ook een aantal DIALANG-toetsen in het Fins deden. De uitspraken voor zelfevaluatie werden aan hen voorgelegd in het Zweeds (bij 250 respondenten met Zweeds als moedertaal) of in het Engels. Bovendien konden de meeste respondenten de Finse versie van de uitspraken inzien.[2]

De gegevens werden geanalyseerd met het programma OPLM (Verhelst e.a. 1985; Verhelst en Glass 1995).[3] De uitkomsten van de analyse waren erg goed: meer dan 90% van de uitspraken kon worden geschaald (dat wil zeggen dat zij 'pasten' in het toegepaste statistische model). De drie zelfevaluatieschalen die op basis van de kalibratie werden samengesteld, waren zeer homogeen, zoals blijkt uit de hoge betrouwbaarheidsindices (Cronbach's alpha): .91 voor lezen, .93 voor luisteren en .94 voor schrijven.[4]

Soortgelijke kalibratiestudies zullen worden uitgevoerd wanneer de overige dertien talen in een pilootstudie worden opgenomen, volgens de methode die is ontwikkeld door de werkgroep voor gegevensanalyse. Dan zal duidelijk worden in hoeverre de uitstekende resultaten van de eerste studie kunnen worden gerepliceerd en of bepaalde uitspraken voor zelfevaluatiedoeleinden consequent beter scoren dan andere.

Hoewel de eerste kalibratiestudie er maar één is, is het van belang op te merken dat zij iets zegt over meer dan één taalversie van de uitspraken voor zelfevaluatie in DIALANG. Dat komt doordat de meeste bestudeerde leerders konden kiezen uit alle drie versies (Zweeds, Engels, Fins) toen zij de zelfevaluatie invulden, hoewel het merendeel van hen waarschijnlijk is uitgegaan van de Zweedse. Vanwege de zorgvuldige vertaalprocedure kunnen we er van uitgaan dat de uitspraken voor zelfevaluatie in de verschillende talen grotendeels gelijkwaardig zijn – een aanname die uiteraard zal worden getoetst in het kader van de verdere kalibratiestudies.

Aanvullend bewijs voor de kwaliteit van de DIALANG-schalen voor zelfevaluatie – en voor de schalen van het Referentiekader – werd verkregen door dr. Kaftandjieva, die de moeilijkheidswaarden van de uitspraken in deze studie heeft gecorreleerd met de waarden van dezelfde uitspraken zoals in een andere context vastgesteld door North (1996/2000). De correlatie bleek erg hoog, .83, of zelfs .897 als één vreemd scorende uitspraak buiten beschouwing wordt gelaten.

In document C1 worden de 107 uitspraken voor zelfevaluatie van lezen, luisteren en schrijven gepresenteerd die de kalibratiestudie op basis van de Finse gegevens hebben overleefd. De uitspraken zijn per tabel gerangschikt in oplopende moeilijkheidsgraad. Uitspraken die niet afkomstig zijn uit het Referentiekader zijn cursief weergegeven.

Overige DIALANG-schalen op basis van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader

Naast de uitspraken voor zelfevaluatie gebruikt DIALANG ook twee reeksen van beschrijvende schalen die zijn gebaseerd op het Referentiekader. De schalen hebben betrekking op lezen, schrijven en luisteren:

 

Beknopte schalen

In het DIALANG-systeem worden de beknopte globale schalen voor lezen, schrijven en luisteren gebruikt om toetsresultaten te vermelden. Wanneer leerders feedback ontvangen over hun vaardigheid, krijgen zij een score op een van de schalen van het Referentiekader, van A1 tot en met C2, en wordt de betekenis van die score toegelicht met een van die beschrijvende schalen. Deze zijn in de DIALANG-context gevalideerd door 12 deskundige beoordelaars die elke beschrijving hebben toegewezen aan één van de zes niveaus. Dezelfde deskundigen hebben vervolgens de globale schalen gebruikt om elk onderdeel van de DIALANG-toetsen te koppelen aan een niveau in het Referentiekader. De schaal is gebaseerd op tabel 2 van het Referentiekader, maar de beschrijvingen zijn, op dezelfde wijze als de uitspraken voor zelfevaluatie, enigszins aangepast. Deze schalen worden vermeld in document C2.

Feedback en advies

Voor de feedback- en adviesfunctie van het beoordelingssysteem wordt gebruik gemaakt van schalen die uitgebreidere beschrijvingen van lees-, schrijf- en luistervaardigheden bevatten. Hierdoor krijgen de gebruikers een gedetailleerder verslag van wat leerders gewoonlijk met de taal kunnen op elk van de vaardigheidsniveaus. Ook kunnen leerders de beschrijving voor een bepaald niveau vergelijkingen met die voor niveaus er net onder of boven. Deze gedetailleerdere schalen zijn eveneens gebaseerd op die van tabel 2 in het Referentiekader, maar de descriptoren zijn verder uitgewerkt met behulp van andere hoofdstukken van het Referentiekader en andere bronnen. Deze schalen worden vermeld in document C3.

Lezers die geïnteresseerd zijn in de resultaten van de hier genoemde empirische studies kunnen uitvoerige informatie vinden in Takala en Kaftandjieva (in voorbereiding). Raadpleeg Huhta, Luoma, Oscarson, Sajavaara, Takala en Teasdale (in voorbereiding) voor meer informatie over het systeem in het algemeen en de gegeven feedback in het bijzonder.

Literatuur

Huhta, A., S. Luoma, M. Oscarson, K. Sajavaara, S. Takala en A. Teasdale (in voorbereiding). DIALANG – A Diagnostic Language Assessment System for Learners. In J.C. Alderson (red.) Case studies of the use of the Common European Framework. Raad van Europa.

North, B. 1996/2000. The Development of a Common Framework Scale of Language Proficiency Based on a Theory of Measurement. Dissertatie. Thames Valley University. Herdruk 2000: New York, Peter Lang.

Takala, S. en F. Kaftandjieva (in voorbereiding). Council of Europe Scales of Language Proficiency: A Validation Study. In J.C. Alderson (red.) Case studies of the use of the Common European Framework. Raad van Europa.

Verhelst, N., C. Glass en H. Verstralen (1985). One-Parameter Logistic Model: OPLM. Arnhem: CITO.

Verhelst, N. en C. Glass (1995). The One-Parameter Logistic Model. In G. Fisher and I. Molenaar (red.) Rasch Models: Foundations, Recent Developments and Applications. New York: Springer-Verlag. 215–237.

Document C1. DIALANG-uitspraken voor zelfevaluatie

Niveau in Referentiekader

LEZEN

A1

Ik kan de hoofdgedachte begrijpen van een eenvoudige informatieve tekst en korte, eenvoudige beschrijvingen, met name als deze plaatjes bevatten ter toelichting.

A1 Ik kan heel korte, eenvoudige teksten begrijpen waarin vertrouwde namen, woorden en basiszinnen voorkomen, bijvoorbeeld door ze gedeeltelijk opnieuw te lezen.
A1 Ik kan korte, eenvoudige geschreven instructies begrijpen, met name als ze plaatjes bevatten.
A1 Ik kan vertrouwde namen, woorden en heel simpele zinnen herkennen in eenvoudige mededelingen in de meest alledaagse situaties.
A1 Ik kan korte, eenvoudige berichten begrijpen, bijvoorbeeld op een briefkaart.

A2

Ik kan korte, eenvoudige teksten begrijpen die de meest voorkomende woorden bevatten, inclusief een aantal internationale woorden.

A2 Ik kan korte, eenvoudige teksten begrijpen die zijn geschreven in gewone alledaagse taal.
A2 Ik kan korte, eenvoudige teksten begrijpen die te maken hebben met mijn werk.
A2 Ik kan specifieke informatie vinden in eenvoudig alledaags materiaal zoals advertenties, brochures, menu's en dienstregelingen.
A2 Ik kan specifieke informatie herkennen in eenvoudig geschreven materiaal zoals brieven, brochures en korte krantenberichten waarin gebeurtenissen worden beschreven.
A2 Ik kan korte, eenvoudige persoonlijke brieven begrijpen.
A2 Ik kan alledaagse standaardbrieven en -faxen over vertrouwde onderwerpen begrijpen.
A2 Ik kan eenvoudige instructies begrijpen bij apparatuur die men aantreft in het dagelijks leven, bijvoorbeeld een telefooncel.
A2 Ik kan alledaagse openbare (verkeers)borden en waarschuwingen begrijpen, bijvoorbeeld op straat, in restaurants, op stations en op de werkplek.

B1

Ik kan heldere teksten begrijpen over onderwerpen die betrekking hebben op mijn interessegebieden.

B1 Ik kan relevante noodzakelijke informatie vinden en begrijpen in alledaags materiaal, zoals brieven, brochures en korte officiële documenten.
B1 Ik kan in één lange of een aantal korte teksten specifieke informatie vinden die ik nodig heb om een taak te kunnen voltooien.
B1 Ik kan belangrijke punten herkennen in heldere krantenartikelen over vertrouwde onderwerpen.
B1 Ik kan de belangrijkste conclusies herkennen in helder geschreven argumenterende teksten.
B1 Ik kan de algemene argumentatie herkennen in een tekst, maar niet noodzakelijkerwijs in detail.
B1 Ik kan de beschrijving van gebeurtenissen, gevoelens en wensen in persoonlijke brieven goed genoeg begrijpen om met een vriend(in) of bekende te corresponderen.
B1 Ik kan helder geschreven directe instructies bij een apparaat begrijpen.

B2

Ik kan correspondentie lezen die betrekking heeft op mijn interessegebieden en daarvan de essentiële betekenis gemakkelijk begrijpen.

B2 Ik kan gespecialiseerde artikelen buiten mijn vakgebied begrijpen, mits ik een woordenboek kan gebruiken om terminologie te bevestigen.
B2 Ik kan veel soorten teksten tamelijk gemakkelijk lezen met verschillende snelheden en op verschillende manieren, afhankelijk van mijn doeleinden en het teksttype.
B2 Ik heb een ruime leeswoordenschat maar ervaar soms moeilijkheden met minder gebruikelijke woorden en frasen.
B2 Ik kan snel de inhoud en relevantie herkennen van nieuwsberichten, artikelen en verslagen over uiteenlopende professionele onderwerpen en dan beslissen of nadere bestudering de moeite loont.
B2 Ik kan artikelen en verslagen over hedendaagse problemen begrijpen, waarin de schrijvers bepaalde stellingen of standpunten innemen.

C1

Ik kan elke correspondentie begrijpen door af en toe gebruik te maken van een woordenboek.

C1 Ik kan in detail lange, complexe instructies bij een nieuwe machine of procedure begrijpen, zelfs buiten mijn eigen specialisatie, als ik moeilijke passages kan herlezen.

C2

Ik kan praktisch alle vormen van geschreven taal begrijpen en interpreteren, met inbegrip van abstracte, structureel complexe of zeer spreektalige literaire en niet-literaire geschriften.

 

Niveau in Referentiekader

SCHRIJVEN

A1

Ik kan eenvoudige notities aan vrienden schrijven.

A1 Ik kan beschrijven waar ik woon.
A1 Ik kan persoonlijke gegevens invullen op formulieren.
A1 Ik kan eenvoudige op zichzelf staande frasen en zinnen schrijven.
A1 Ik kan een korte eenvoudige briefkaart schrijven. Ik kan korte brieven en berichten schrijven met behulp van een woordenboek.

A2

Ik kan korte, elementaire beschrijvingen geven van gebeurtenissen en activiteiten.

A2 Ik kan zeer eenvoudige persoonlijke brieven schrijven waarin dank wordt uitgesproken of verontschuldigingen worden aangeboden.
A2 Ik kan korte, eenvoudige notities en berichten schrijven die betrekking hebben op alledaagse zaken.
A2 Ik kan plannen en afspraken beschrijven.
A2 Ik kan uitleggen wat ik leuk of niet leuk aan iets vind.
A2 Ik kan mijn gezinssituatie, woonomstandigheden, opleiding en huidige of laatste werk beschrijven.
A2 Ik kan activiteiten in het verleden en persoonlijke ervaringen beschrijven.

B1

Ik kan heel korte verslagen schrijven, waarin volgens vaste regels feitelijke informatie wordt gegeven en redenen voor maatregelen worden gegeven.

B1 Ik kan persoonlijke brieven schrijven waarin ervaringen, gevoelens en gebeurtenissen gedetailleerd worden beschreven.
B1 Ik kan details beschrijven van onverwachte gebeurtenissen, zoals een ongeluk.
B1 Ik kan dromen, verwachtingen en ambities beschrijven.
B1 Ik kan berichten aannemen om inlichtingen, problemen en dergelijke te beschrijven.
B1 Ik kan de plot van een boek of film beschrijven, en mijn reacties daarop.
B1 Ik kan in het kort redenen en verklaringen geven voor meningen, plannen en handelingen.
B2

Ik kan verschillende ideeën of oplossingen voor een probleem evalueren.

B2 Ik kan informatie en argumenten uit verschillende bronnen bijeenvoegen.
B2 Ik kan een beredeneerd betoog opbouwen uit een keten van argumenten.
B2 Ik kan speculeren over oorzaken, gevolgen en hypothetische oplossingen.

C1

Ik kan standpunten uitvoerig uitwerken en ondersteunen met aanvullende punten, redenen en relevante voorbeelden.

C1 Ik kan stelselmatig een argument ontwikkelen en daarbij gepaste nadruk leggen op belangrijke punten en relevante ondersteunende details geven.
C1 Ik kan duidelijke gedetailleerde beschrijvingen geven van ingewikkelde onderwerpen.
(waarsch. C1) Ik kan gewoonlijk schrijven zonder een woordenboek te raadplegen.
(waarsch. C1) Ik kan zo goed schrijven dat mijn taal alleen hoeft te worden gecontroleerd als de tekst belangrijk is.

C2

Ik kan een gepaste en doeltreffende logische structuur verschaffen die de lezer helpt belangrijke punten te onderscheiden.

C2 Ik kan heldere vloeiend lopende, complexe verslagen, artikelen of opstellen schrijven waarin een zaak wordt beschouwd of een kritisch oordeel wordt gegeven over voorstellen of literaire werken.
(waarsch. C2) Ik kan zo goed schrijven dat moedertaalsprekers mijn teksten niet hoeven te controleren.
(waarsch. C2) Ik kan zo goed schrijven dat mijn teksten niet wezenlijk kunnen worden verbeterd, zelfs niet door schrijfleerkrachten.

 

Niveau in Referentiekader

LUISTEREN

A1

Ik kan alledaagse uitdrukkingen begrijpen, gericht op eenvoudige en concrete behoeften, in heldere, langzame spreektaal met herhalingen.

A1 Ik kan spraak volgen die heel langzaam en zorgvuldig wordt uitgesproken, met lange pauzes om de betekenis te vatten.
A1 Ik kan vragen en instructies begrijpen en korte, eenvoudige aanwijzingen volgen.
A1 Ik kan getallen, prijzen en tijden begrijpen.

A2

Ik kan genoeg begrijpen om eenvoudige routinegesprekken te voeren zonder te veel inspanning.

A2 Ik kan over het algemeen het onderwerp herkennen van een discussie die langzaam en helder om mij heen wordt gevoerd.
A2 Ik kan over het algemeen heldere gesproken standaardtaal begrijpen over vertrouwde zaken, al moet ik in werkelijkheid soms vragen om herhaling of herformulering.
A2 Ik kan genoeg begrijpen om te kunnen voldoen aan concrete behoeften in het dagelijks leven, mits er duidelijk en langzaam wordt gesproken.
A2 Ik kan frasen en uitdrukkingen begrijpen die betrekking hebben op directe behoeften.
A2 Ik kan eenvoudige zaken afhandelen in winkels, postkantoren of banken.
A2 Ik kan eenvoudige aanwijzingen verstaan over de juiste weg te voet of per openbaar vervoer van X naar Y.
A2 Ik kan de wezenlijke informatie begrijpen in korte opgenomen passages over voorspelbare alledaagse zaken, die langzaam en helder worden uitgesproken.
A2 Ik kan het belangrijkste punt herkennen van nieuwsberichten op televisie waarin verslag wordt gedaan van gebeurtenissen, ongelukken en dergelijke en waarin het beeldmateriaal het commentaar ondersteunt.
A2 Ik kan het belangrijkste punt in korte, duidelijke, eenvoudige boodschappen en aankondigingen volgen.

B1

Ik kan de betekenis van incidentele onbekende woorden raden uit de context en de betekenis van zinnen begrijpen als het gespreksonderwerp vertrouwd is.

B1 Ik kan over het algemeen de hoofdpunten volgen van een uitgebreide discussie die rondom mij wordt gevoerd, mits er duidelijk en in standaardtaal wordt gesproken.
B1 Ik kan duidelijke gesproken taal volgen in alledaagse gesprekken, al zal ik in werkelijkheid soms om herhaling van bepaalde woorden of frasen moeten vragen.
B1 Ik kan directe feitelijke informatie begrijpen over gewone alledaagse of werkspecifieke onderwerpen, en daarbij zowel algemene boodschappen als specifieke details herkennen, mits er duidelijk wordt gesproken in een over het algemeen vertrouwd accent.
B1 Ik kan de hoofdpunten begrijpen van duidelijke, regelmatig voorkomende gesproken standaardtaal over vertrouwde zaken.
B1 Ik kan een lezing of een gesprek binnen mijn eigen vakgebied volgen, mits het onderwerp vertrouwd is en de presentatie direct en helder gestructureerd.
B1 Ik kan eenvoudige technische informatie begrijpen, zoals bedieningsinstructies voor alledaagse apparatuur.
B1 Ik kan de informatieve inhoud begrijpen van het meeste opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal over vertrouwde onderwerpen wanneer er relatief langzaam en duidelijk wordt gesproken.
B1 Ik kan veel films volgen waarin het verhaal helder is en grotendeels wordt gedragen door beelden en actie, en waarin duidelijke taal wordt gesproken.
B1 Ik kan de hoofdpunten onderscheiden in uitzendingen over vertrouwde onderwerpen en onderwerpen van persoonlijk belang wanneer de taal relatief langzaam en duidelijk wordt gesproken.

 

Niveau in Referentiekader

LUISTEREN (vervolg)

B2

Ik kan in detail begrijpen wat er tegen me wordt gezegd in gesproken standaardtaal.

B2 Ik kan dit zelfs wanneer er enig achtergrondgeluid is.
B2 Ik kan gesproken standaardtaal verstaan, hetzij in direct contact, hetzij via de media, over vertrouwde en niet-vertrouwde onderwerpen die gewoonlijk aan de orde komen in het persoonlijke leven, het onderwijs of de werkomgeving. Alleen extreme achtergrondgeluiden, onduidelijke structuren en/of idiomatisch taalgebruik veroorzaken soms problemen.
B2 Ik kan de hoofdgedachten begrijpen van complexe gesproken tekst in standaardtaal over concrete en abstracte onderwerpen, met inbegrip van technische besprekingen in mijn eigen vakgebied.
B2 Ik kan uitgebreide betogen en complexe redeneringen volgen, mits het onderwerp redelijk vertrouwd is en de richting van de discussie door de spreker duidelijk wordt aangegeven.
B2 Ik kan de wezenlijke onderdelen volgen van lezingen, besprekingen, verslagen en andere presentatievormen waarin complexe gedachten en taal worden gebruikt.
B2 Ik kan mededelingen en berichten over concrete en abstracte onderwerpen verstaan, die met normale snelheid worden uitgesproken in standaardtaal.
B2 Ik kan de meeste radiodocumentaires en het meeste andere opgenomen of uitgezonden geluidsmateriaal in standaardtaal verstaan en kan de stemming, toon, enzovoort van de spreker herkennen.
B2 Ik kan de meeste nieuws- en actualiteitenprogramma's op televisie begrijpen, zoals documentaires, live interviews en talkshows, alsmede toneelspelen en de meeste films in standaardtaal.
B2 Ik kan een lezing of bespreking op mijn eigen vakgebied volgen, mits de presentatie helder is.

C1

Ik kan een levendig gesprek tussen moedertaalsprekers volgen.

C1 Ik kan genoeg verstaan om uitgebreide betogen te volgen over abstracte en complexe onderwerpen buiten mijn eigen vakgebied, al moet ik misschien af en toe een detail laten bevestigen, vooral wanneer het accent niet vertrouwd is.
C1 Ik kan een breed scala van idiomatische uitdrukkingen en uitdrukkingen uit de spreektaal herkennen, alsmede veranderingen van stijl.
C1 Ik kan een uitgebreid betoog volgen, ook wanneer het niet duidelijk gestructureerd is en wanneer verbanden tussen ideeën slechts worden geïmpliceerd en niet uitdrukkelijk worden aangegeven.
C1 Ik kan de meeste lezingen, discussies en debatten met betrekkelijk gemak volgen.
C1 Ik kan specifieke informatie onderscheiden in slechte openbare mededelingen.
C1 Ik kan complexe technische informatie begrijpen, zoals bedieningsinstructies en specificaties bij vertrouwde producten en diensten.
C1 Ik kan een breed scala van opgenomen geluidsmateriaal begrijpen, met inbegrip van enige niet-standaardtaal, en fijnere details herkennen zoals impliciete houdingen van en verhoudingen tussen sprekers.
C1 Ik kan films volgen waarin een aanzienlijke hoeveelheid plat taalgebruik en idiomatische uitdrukkingen wordt gebruikt.

C2

Ik kan specialistische lezingen en presentaties volgen waarin veel spreektaal, regionaal taalgebruik of niet-vertrouwde terminologie voorkomt.

 

Document C2. Globale (beknopte) schalen voor het melden van DIALANG-scores

Niveau in Referentiekader

LEZEN

A1

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op of onder niveau A1 voor lezen op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau begrijpen mensen eenvoudige zinnen, bijvoorbeeld in berichtjes en op posters of in catalogi.


A2

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau A2 voor lezen op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau begrijpen mensen erg korte, eenvoudige teksten. Ze kunnen bepaalde informatie vinden in alledaagse teksten, zoals een advertentie, een circulaire, een menu en een dienstregeling en ze kunnen korte eenvoudige persoonlijke brieven begrijpen.


B1

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau B1 voor lezen op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau begrijpen mensen teksten met alledaags of vakspecifiek taalgebruik. Ze kunnen persoonlijke brieven begrijpen waarin de schrijver gebeurtenissen, gevoelens en wensen beschrijft.


B2

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau B2 voor lezen op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau begrijpen mensen artikelen en rapporten over eigentijdse onderwerpen waarin de schrijver een probleem op een bepaalde manier benadert of een bepaald standpunt inneemt. Ze kunnen de meeste korte verhalen en populaire romans begrijpen.


C1

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau C1 voor lezen op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau begrijpen mensen lange en complexe zakelijke en literaire teksten en verschillen in schrijfstijl. Ze begrijpen 'gespecialiseerd' taalgebruik in artikelen en technische instructies, zelfs als ze niet over het eigen vakgebied gaan.


C2

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op of boven niveau C2 voor lezen op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau lezen mensen zonder problemen bijna alle tekstsoorten, met inbegrip van abstracte teksten die moeilijke woorden en grammaticale constructies bevatten. Bijvoorbeeld: handleidingen, artikelen over bijzondere onderwerpen en literaire teksten.

 

Niveau in Referentiekader

SCHRIJVEN

A1

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau A1 voor schrijven op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau kunnen mensen een korte en eenvoudige briefkaart schrijven, bijvoorbeeld met vakantiegroeten. Ze kunnen persoonlijke gegevens op formulieren invullen, zoals hun naam, nationaliteit en adres op een registratieformulier van een hotel.


A2

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau A2 voor schrijven op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau kunnen mensen korte, eenvoudige briefjes en berichten schrijven over alledaagse zaken en behoeften. Ze kunnen een zeer eenvoudig persoonlijk briefje schrijven, waarin ze bijvoorbeeld iemand voor iets bedanken.


B1

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau B1 voor schrijven op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau kunnen mensen eenvoudige teksten schrijven over onderwerpen die bekend zijn of die hun persoonlijke interesse hebben. Ze kunnen persoonlijke brieven schrijven met beschrijvingen van ervaringen en indrukken.


B2

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau B2 voor schrijven op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau kunnen mensen heldere, gedetailleerde teksten schrijven over een breed scala van onderwerpen die hun interesse hebben. Ze kunnen een essay of een rapport schrijven met informatie en argumenten vóór of tegen een bepaald standpunt. Ze kunnen brieven schrijven waarin ze het persoonlijk belang van gebeurtenissen of ervaringen benadrukken.


C1

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau C1 voor schrijven op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau kunnen mensen heldere en goed gestructureerde teksten schrijven en hun standpunt bondig naar voren brengen. Ze kunnen over moeilijke onderwerpen schrijven in een brief, een essay of een rapport, waarbij ze benadrukken wat volgens hen de belangrijkste punten zijn. Ze kunnen verschillende soorten tekst produceren in een zelfverzekerde en persoonlijke stijl die is afgestemd op de denkbeeldige lezer.


C2

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau C2 voor schrijven op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau kunnen mensen helder en vloeiend schrijven in een passende stijl. Ze kunnen moeilijke brieven, rapporten of artikelen zodanig schrijven dat de lezer geholpen wordt om de belangrijkste punten op te merken en te onthouden. Ze kunnen samenvattingen en besprekingen schrijven van zakelijke of literaire teksten.

 

Niveau in Referentiekader

LUISTEREN

A1

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op of onder niveau A1 voor luisteren op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau begrijpen mensen zeer eenvoudige zinnen over zichzelf, mensen die ze kennen en dingen om hen heen, als mensen langzaam en duidelijk spreken.


A2

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau A2 voor luisteren op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau begrijpen mensen uitdrukkingen en de meest voorkomende woorden over zaken die belangrijk voor ze zijn, zoals bijvoorbeeld basisinformatie over zichzelf en hun familie, boodschappen doen, werk. Ze begrijpen de kern van wat er in duidelijke, eenvoudige mededelingen en aankondigingen wordt gezegd.


B1

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau B1 voor luisteren op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau begrijpen mensen de hoofdpunten van duidelijke standaardspraak over bekende zaken die met werk, school en vrije tijd te maken hebben. Ze begrijpen de hoofdpunten in actualiteitenprogramma's op radio en televisie of in programma's die voor hen persoonlijk of professioneel van belang zijn, als er betrekkelijk langzaam en duidelijk gesproken wordt.


B2

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau B2 voor luisteren op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau begrijpen mensen langere stukken gesproken taal en lezingen en kunnen ze complexe redeneringen volgen als het onderwerp redelijk bekend is. Ze kunnen de meeste nieuws- en actualiteitenprogramma's op televisie begrijpen.


C1

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau C1voor luisteren op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau begrijpen mensen gesproken taal zelfs als die niet helder gestructureerd is en wanneer ideeën en gedachten niet op een expliciete manier zijn uitgedrukt. Ze kunnen zonder veel moeite tv-programma's en films begrijpen.


C2

Uw toetsresultaat duidt erop dat u zich bevindt op niveau C2 voor luisteren op de schaal van de Raad van Europa. Op dit niveau begrijpen mensen iedere soort gesproken taal, zowel live gesproken als op radio en tv. Ze kunnen ook een snelsprekende moedertaalspreker begrijpen als ze tijd hebben gekregen om aan het accent te wennen.

 

Document C3. Uitgewerkte beschrijvende schalen die worden gebruikt voor feedback en advies in DIALANG

LEZEN

 

 

 

 

A1

A2

B1

Welke soorten tekst ik begrijp

Heel korte, eenvoudige teksten, meestal beschrijvingen, vooral wanneer ze plaatjes bevatten.

Korte, eenvoudige geschreven instructies, bijvoorbeeld op briefkaarten en in eenvoudige waarschuwingen.

Teksten over bekende concrete zaken.

Korte, eenvoudige teksten, bijvoorbeeld persoonlijke en zakelijke standaardbrieven en ‑faxen, de meeste alledaagse waarschuwing en aankondigingen, het telefoonboek, advertenties.

Directe zakelijke teksten over onderwerpen die mijn belangstelling hebben.

Alledaags materiaal, zoals brieven, brochures en korte officiële documenten.

Directe krantenartikelen over bekende onderwerpen en beschrijvingen van gebeurtenissen.

Helder geschreven betogende teksten.

Persoonlijke brieven waarin gevoelens en wensen worden uitgedrukt.

Helder geschreven directe instructies bij een apparaat.

Wat ik begrijp

Bekende namen, woorden, basiszinnen.

Korte, eenvoudige teksten.

Specifieke informatie in eenvoudig alledaags materiaal.

Directe zakelijke taal.

Helder geschreven algemene argumentatie (maar niet noodzakelijkerwijs alle details).

Directe instructies.

De nodige algemene informatie in alledaags materiaal.

Hoe ik specifieke informatie kan vinden door te zoeken in één lange of een aantal verschillende teksten.

Omstandigheden en beperkingen

Eén frase tegelijk, met herlezen van delen van de tekst.

Voornamelijk beperkt tot gewone alledaagse taal en werkspecifieke taal.

Vermogen om de belangrijkste conclusies te herkennen en een redenering te volgen beperkt zich tot directe teksten.

 

 

 

 

B2

C1

C2

Correspondentie op mijn interessegebied.

Langere teksten, met inbegrip van gespecialiseerde artikelen buiten mijn vakgebied en zeer gespecialiseerde bronnen binnen mijn vakgebied.

Artikelen en rapporten met bepaalde standpunten over hedendaagse problemen.

Breed scala van lange, complexe teksten met een maatschappelijke, beroepsmatige of academische achtergrond.

Complexe instructies bij een nieuwe onbekende machine of procedure buiten mijn vakgebied.

Breed scala van lange en complexe teksten: vrijwel alle vormen van geschreven taal.

Abstracte, complex gestructureerde of uiterst spreektalige literaire en niet-literaire schrijfsels.

Begrip wordt ondersteund door een ruime actieve leeswoordenschat, moeilijkheden met minder gebruikelijke frasen, idiomatische uitdrukkingen en terminologie.

De wezenlijke betekenis van correspondentie op mijn vakgebied en gespecialiseerde artikelen buiten mijn vakgebied (met woordenboek).

Informatie, ideeën en meningen uit uiterst gespecialiseerde bronnen binnen mijn vakgebied.

De plaats van relevante details in lange teksten.

Fijne nuances, zoals houdingen en meningen die niet expliciet zijn verwoord.

Details van complexe teksten, met inbegrip van fijne nuances in details, houdingen en meningen (zie omstandigheden en beperkingen).

Subtiele onderscheiden in stijl en betekenis die zowel impliciet als expliciet worden gemaakt.

Tekstbereik en teksttypen zijn slechts geringe beperking: ik kan verschillende soorten tekst met verschillende snelheden en op verschillende manieren lezen, afhankelijk van het doel en het type.

Woordenboek vereist voor meer gespecialiseerde of onbekendere teksten.

Details van complexe teksten worden meestal alleen begrepen als moeilijke passages opnieuw zijn gelezen.

Incidenteel gebruik van woordenboek.

Weinig beperkingen: kan vrijwel alle vormen van geschreven taal begrijpen en interpreteren.

Zeer ongewoon of archaïsch woord- of zinsgebruik kan soms onbekend zijn maar zal zelden tot onbegrip leiden.

 

SCHRIJVEN

 

 

 

 

A1

A2

B1

Welke soorten tekst ik kan schrijven

Heel korte stukjes tekst: losse woorden en zeer korte basiszinnetjes. Bijvoorbeeld eenvoudige boodschappen, notities, formulieren en briefkaarten.

Gewoonlijk korte, eenvoudige stukjes tekst. Bijvoorbeeld eenvoudige persoonlijke brieven, briefkaarten, boodschappen, notities, formulieren.

Een doorlopende, begrijpelijke tekst waarin elementen met elkaar verbonden zijn.

Wat ik kan schrijven

Getallen en data, mijn eigen naam, nationaliteit en adres en andere persoonlijke gegevens die ik nodig heb om eenvoudige formulieren in te vullen als ik op reis ben.

Korte, eenvoudige zinnen, verbonden met voegwoorden als 'en' of 'toen'.

Teksten die meestal directe behoeften, persoonlijke gebeurtenissen, bekende plaatsen, hobby's, werk en dergelijke beschrijven.

Teksten die meestal bestaan uit korte basiszinnen.

Met gebruik van de meest voorkomende voegwoorden (zoals 'en', 'maar', 'omdat') om zinnen te verbinden tot een verhaal of een beschrijving in de vorm van een opsomming.

Eenvoudige inlichtingen aan vrienden, dienstverleners en dergelijke, die in het dagelijks leven optreden.

Directe punten op begrijpelijke wijze overbrengen.

Nieuws brengen, gedachten uitdrukken over abstracte of culturele onderwerpen zoals films, muziek, enzovoort.

Ervaringen, gevoelens en gebeurtenissen enigszins gedetailleerd beschrijven.

Omstandigheden en beperkingen

Behalve voor de meest gewone woorden en uitdrukkingen moet de schrijver een woordenboek raadplegen.

Alleen over bekende en routinematige zaken.

Schrijven van doorlopende coherente tekst is moeilijk.

Scala kan beperkt zijn tot bekendere en gewonere teksten, zoals beschrijvingen van dingen en opeenvolgende handelingen; argumenten beredeneren en kwesties tegenover elkaar stellen blijft moeilijk.

 

 

 

 

B2

C1

C2

Uiteenlopende teksten.

Uiteenlopende teksten.

Kan zich helder en precies uitdrukken en daarbij de taal flexibel en doeltreffend gebruiken.

Uiteenlopende teksten.

Kan fijnere betekenisnuances precies overbrengen.

Kan overtuigend schrijven.

Kan nieuws en zienswijzen doeltreffend uitdrukken en verband leggen met de visies van anderen.

Kan een groot aantal verbindingswoorden gebruiken om de verhoudingen tussen ideeën helder aan te geven.

Spelling en leestekengebruik zijn redelijk correct.

Kan duidelijke, vloeiende, goed gestructureerde geschreven taal voortbrengen, die getuigt van een goede beheersing van ordeningspatronen, verbindingswoorden en samenbindende elementen.

Kan meningen en uitspraken precies kwalificeren met betrekking tot bijvoorbeeld de mate van zekerheid/onzekerheid, geloofwaardigheid/twijfel, waarschijnlijkheid.

Lay-out, alinea-indeling en leestekengebruik zijn consistent en bevorderen de leesbaarheid.

Spelling is correct, afgezien van een enkele vergissing.

Kan tot een coherente en samenhangende discourse komen, volop en passend gebruikmakend van verschillende ordeningspatronen en een breed scala van samenbindende elementen.

Schrijven zonder spelfouten.

Uitdrukken van subtiele nuances bij het innemen van een standpunt of het praten over gevoelens en ervaringen is meestal moeilijk.

Uitdrukken van subtiele nuances bij het innemen van een standpunt of het praten over gevoelens en ervaringen kan moeilijk zijn.

Geen noodzaak om een woordenboek te raadplegen, behalve voor incidentele specialistische termen op onbekend terrein.

 

LUISTEREN

 

 

 

 

A1

A2

B1

Welke soorten tekst ik begrijp

Heel eenvoudige zinnetjes over mezelf, mensen die ik ken en dingen om me heen.

Vragen, instructies en aanwijzingen.

Voorbeelden: alledaagse uitdrukkingen, vragen, instructies, korte eenvoudige aanwijzingen.

Eenvoudige zinnetjes en uitdrukkingen over dingen die belangrijk voor me zijn.

Eenvoudige alledaagse gesprekken en discussies.

Alledaagse zaken in de media.

Voorbeelden: berichten, routinegesprekken, aanwijzingen, nieuws op radio en televisie.

Spraak over vertrouwde zaken en zakelijke informatie.

Alledaagse gesprekken en discussies.

Radio- en televisieprogramma's en films.

Voorbeelden: bedieningsinstructies, korte lezingen en besprekingen.

Wat ik begrijp

Namen en eenvoudige woorden.

De algemene strekking.

Genoeg om antwoorden te geven: persoonlijke gegevens verstrekken, aanwijzingen opvolgen.

Gewone alledaagse taal.

Eenvoudige alledaagse gesprekken en discussies.

Het belangrijkste punt.

Genoeg om het gesprokene te volgen.

De betekenis van sommige onbekende woorden, door die te raden.

Algemene betekenis en specifieke details.

Omstandigheden en beperkingen

Duidelijke, langzaam en zorgvuldig gearticuleerde spraak.

Indien aangesproken door een sympathieke spreker.

Duidelijke, langzame spraak.

Hulp vereist van sympathieke sprekers en/of beelden.

Vraagt soms om herhaling of herformulering.

Duidelijke standaardspraak.

Hulp vereist van plaatjes en handelingen.

Vraagt soms om herhaling van een woord of frase.

 

 

 

 

B2

C1

C2

Alle soorten spraak over bekende zaken.

Lezingen.

Radio- en televisieprogramma's en films.

Voorbeelden: technische discussies, reportages, live interviews.

Gesproken taal in het algemeen.

Lezingen, discussies en debatten.

Openbare mededelingen.

Complexe technische informatie.

Opgenomen geluidsmateriaal en films.

Voorbeelden: gesprekken van moedertaalsprekers.

Alle gesproken taal, live of in de media.

Gespecialiseerde lezingen en presentaties.

Belangrijkste ideeën en specifieke informatie.

Complexe ideeën en taal.

Gezichtspunten en houdingen van de spreker.

Genoeg om actief deel te nemen aan gesprekken.

Abstracte en complexe onderwerpen.

Impliciete houdingen en relaties tussen sprekers.

Globaal en gedetailleerd inzicht zonder enig probleem.

Standaardtaal en enig idiomatisch taalgebruik, zelfs tegen een redelijk lawaaiige achtergrond.

Behoefte aan bevestiging van incidentele details wanneer het accent niet vertrouwd is.

Geen, mits er voldoende tijd is om te wennen aan wat niet vertrouwd is.

 



[1] De werkgroep bestond uit Alex Teasdale (voorzitter), Neus Figueras, Ari Huhta, Fellyanka Kaftandjieva, Mats Oscarson en Sauli Takala.

[2] De studie werd uitgevoerd in het centrum voor toegepaste taalstudies van de universiteit van Jyväskylä, dat het project van 1996 tot 1999 coördineerde, door de werkgroep voor gegevensanalyse bestaande uit Fellyanka Kaftandjieva (voorzitter), Norman Verhelst, Sauli Takala, John de Jong en Timo Törmäkangas. De coördinatie van DIALANG-fase 2 is in handen van de Vrije Universiteit in Berlijn.

[3] OPLM is een uitbreiding van het Rasch-model waarin de onderscheiden tussen items kunnen verschillen. Het verschil met het model met twee parameters is dat de onderscheidingsparameters niet worden ingeschat maar ingevoerd als bekende constanten.

[4] De globale overeenkomst van het gegevensmodel was ook vrij goed (p = .26) wanneer de uitspraken gezamenlijk werden gekalibreerd. De statistische overeenkomst voor kalibratie op basis van vaardigheden was eveneens goed (p = .10 voor lezen, .84 voor schrijven en .78 voor luisteren).

Nederlandse Taalunie